Erica van Erp (deceased)

public profile

View Erica van Erp's complete profile:

  • See if you are related to Erica van Erp
  • Request to view Erica van Erp's family tree

Share

Related Projects

Death: (Date and location unknown)
Managed by: Johanna van Beusekom
Last Updated:
view all

Immediate Family

    • Hildegunda
      mother
    • Jan
      father
    • Ermgardis
      sister
    • Jacoba
      sister

About Erica van Erp

Handschriften / Henrica van Erp Inleiding

Vrouwenklooster Vrouwenklooster, gelegen op en bij het terrein van het huidige KNMI bij De Bilt, was gedurende de middeleeuwen een van de vijf adellijke vrouwenkloosters rond de stad Utrecht. Het moet nog vóór het jaar 1113 zijn gesticht door abt Ludolf van de nabijgelegen benedictijner Sint-Laurensabdij - beter bekend als Oostbroek. In het begin was Oostbroek onder abt Ludolf een dubbelklooster, zoals er wel meer waren in die tijd, maar in 1113 werden monniken en nonnen gescheiden.[1] De nonnen betrokken een afzonderlijk huis op een elders in het Oostbroek gelegen landgoed van de Sint-Laurensabdij, dat 'Nova Curia', of de 'Nieuwehof' heette. Bisschop Godebald van Utrecht zorgde ervoor dat Vrouwenklooster in 1121 een afzonderlijke, min of meer zelfstandige stichting werd, die hij bovendien zo rijkelijk begiftigde dat kon worden begonnen met de bouw van een echt kloostergebouw. In 1139 was de bouw van het klooster voltooid, en trokken de nonnen erin. Het was een belangrijk klooster waarin eeuwenlang dochters uit aanzienlijke Stichtse geslachten werden opgenomen. In dit gebouw leefden ook Henrica van Erp en haar nonnen. In 1580, 32 jaar na het overlijden van Henrica van Erp, werd het afgebroken.

In het begin stond Vrouwenklooster geheel onder toezicht van de abt van Oostbroek. Hij was een man van aanzien. Hij voerde het bestuur over een aanzienlijk en wijdverspreid landbezit in het Sticht. Daarnaast had hij de zogenaamde lagere rechtsmacht in diverse plaatsen, waaronder in het gerecht van Oostbroek zelf. Voor Vrouwenklooster bepaalde de abt de eerste eeuwen onder meer wie er priorin werd, wie er de eredienst leidde, wie les gaf aan de novicen en of goederen mochten worden vervreemd uit het bezit van het klooster. Langzamerhand maakte Vrouwenklooster zich echter los van Oostbroek en kreeg het in de persoon van Henrica van Erp een eigen abdis. Wat maakt haar persoon en haar kroniek zo bijzonder? Beeldmateriaal nr. 202010

Henrica van Erp Het geboortejaar van Henrica van Erp wordt door een van haar weinige biografen, A.J.M. van Pol, op omstreeks 1480 gesteld, maar het is waarschijnlijk dat ze al een tiental jaren eerder was geboren. Over haar afkomst is tot nog toe weinig bekend, maar het is zeker dat ze stamt uit het wijdvertakte geslacht Van Erp en uit een kinderrijk gezin. Henrica was een dochter van een zekere Jan van Erp en van Hildegunda Heijm. Over Henrica's vader, zijn herkomst en levensbijzonderheden is weinig bekend, behalve dan dat er een verbinding moet zijn geweest met de Bossche schepenen Van Erp. Zowel Henrica's vader als deze Bossche schepenen voerden namelijk hetzelfde wapen. Drie kinderen van Jan van Erp en Hillegunda Heijm trekken, naast Henrica, onze aandacht.[2]

Behalve Henrica traden er nog twee van haar zusters in het klooster en maakten daarbinnen carrière: Ermgardis werd 'mater' in Well en Jacoba abdis van het Onze Lieve Vrouwenmunster in Roermond, een adellijke cisterciënzer abdij. Henrica's broer Jan komt met naam en toenaam in haar kroniek voor: 'In het jaar 1539 gaf mijn broer Jan van Erp [mij de stof voor] een kazuifel van rood fluweel, waarvoor hij negen en een kwart el [stof] schonk.' Deze Jan van Erp lijkt het prominentste lid van het gezin te zijn geweest, en was wellicht het hoofd van de familie. Hij was in de eerste helft van de zestiende eeuw actief als stadsbestuurder van Den Bosch. Ook was hij stadhouder voor Maximiliaan van Bergen, heer van Zevenbergen en hoogschout van Den Bosch tussen 1505 en 1521.

Het was niet ongebruikelijk dat dochterrijke gezinnen een groot aantal religieuzen telden, waarschijnlijk omdat zij op de lange termijn een minder grote aanslag deden op het familiekapitaal dan dochters die in de wereld bleven. Maar het verschafte de familie ook status als dochters werden toegelaten tot een prestigieus convent voor adellijke vrouwen, zoals ook Vrouwenklooster was. Deze dochters konden zo bovendien een belangrijke rol vervullen ten aanzien van het geestelijk welzijn van de familie: de gebeden van de nonnen zorgden er namelijk voor dat hun familieleden na hun dood minder lang in het vagevuur hoefden te verblijven. Veel meisjes uit welgestelde families werden al op jonge leeftijd aan het klooster toevertrouwd. Dat gold waarschijnlijk ook voor Henrica. Bij haar intrede zal haar vader, zoals gebruikelijk, een dos of intredegeld hebben geschonken aan Vrouwenklooster. Het ging hierbij meestal om aanzienlijke bedragen, soms ter hoogte van het jaarinkomen van een geschoolde ambachtsman.

Henrica werd in 1503 tot abdis verkozen op 'de dag na Egidiusdag', dat wil zeggen 2 september. Op 15 september werd ze in haar ambt bevestigd door bisschop Frederik van Baden en trad daadwerkelijk in functie op de dag na St. Lambert (18 september) van het genoemde jaar 1503. Henrica was de eerste abdis van Vrouwenklooster die als zodanig werd aangeduid. Toen ze abdis werd, was ze waarschijnlijk in de dertig. Ze zou vijfenveertig jaar lang abdis blijven - een lange, maar niet uitzonderlijk lange regeerperiode gezien de zevenenveertig jaar dat haar voorgangster priorin was. In haar tijd telde Vrouwenklooster bij volledige bezetting niet meer dan 24 nonnen.

Deze nonnen waren niet geheel zonder eigen bezit. Naast prebenden en andere sommen geld die ze soms aanwendden voor de verfraaiing van hun abdij, bezaten ze vaak nog meer roerende goederen. Ook Henrica van Erp had privé-eigendommen en meer dan haar voorgangster, Geertruid van Groenestein, die bij haar overlijden een bescheiden hoeveelheid textiel, lakens, dekens, kussens, wat meubels, een spiegel, vijf bedden en wat keukengerei naliet. Henrica van Erps erfenis telde onder meer negen bedden, dertien lakens en tafellakens, uitgebreider tafelgerei, meer spiegels, kisten, kandelaars en kronen, kussens met haar familiewapen, een grote, beschilderde tafel voor tien personen en veel ketels, potten en pannen. Het lijkt erop dat Henrica van Erp uit een welgestelder geslacht afkomstig was dan haar voorgangster - of meer waarde hechtte aan materiële zaken.

Mogelijk weerspiegelt deze uitgebreidere inboedel ook de drukke omgang die de abdis met standgenoten van buiten het klooster had. Uit de rekeningen van Vrouwenklooster blijkt dat bezoekers en gastvrouwen bij hun al dan niet zakelijke ontmoetingen regelmatig een of meerdere kannen wijn consumeerden. Henrica van Erp was waarschijnlijk een sociaal actievere abdis dan haar voorgangster: tegen de enkele zetel in de boedelbeschrijving van Geertruid van Groenestein staan de zeventien stoelen in allerlei maten in de boedelbeschrijving van Henrica van Erp. Tenslotte hield Henrica van Erp waarschijnlijk wel van wat vrolijk gekwinkeleer. Die indruk wordt tenminste gewekt door het in de boedel beschreven vogelkooitje van de abdis.

Henrica's wederwaardigheden Tussen haar verkiezing in 1503 en haar dood in 1548 schreef Henrica van Erp een beknopte kroniek van de wederwaardigheden van Vrouwenklooster onder haar bewind. Zij komt hierin naar voren als een bijzonder actieve abdis. Ze schrijft onder andere over de ingrijpende verbouwing van het klooster, de schermutselingen met Oostbroek over de rechten van Vrouwenklooster en de vele conflicten rond het grondbezit. Als de belangen van haar klooster in het geding waren, trok ze er zelf op uit, vaak gesteund door relaties, 'vrunden' genoemd.

Dat abdis Henrica voor geen kleintje vervaard was, blijkt bijvoorbeeld uit haar houding tegenover Jan van Beusichem in 1528. Deze keizerlijke bevelhebber had toegelaten dat Vrouwenklooster zwaar beschadigd en geplunderd werd door zijn troepen. Dankzij haar moedige en krachtdadige optreden kreeg Henrica het gestolen goed en het weggevoerde personeel weer terug. Toen ze in datzelfde jaar schreef over abdissen die vanwege het oorlogsgeweld naar elders vertrokken, verklaarde ze: 'Ik bleef ...bij voortduring hier in het klooster'. Haar heldhaftigste wapenfeit was wellicht het ophouden van de bovendorpel van de deur van het achterkoor nadat de toren instortte, zodat de twee zusters en elf werklieden kleerscheuren konden ontkomen. Jammer genoeg staat deze heroïsche daad uit 1518 niet in de kroniek zelf vermeld.[3]

Wellicht een teken van haar kwaliteit als abdis is de aanhoudende belangstelling van adellijke families uit Utrecht voor Vrouwenklooster. Terwijl andere kloosters na 1520 te kampen hadden met een gebrek aan intredes, had Vrouwenklooster aan het eind van Henrica's leven nog steeds een volle bezetting.

De laatste aantekening van Henrica's hand dateert van 1546. Twee laar later noteerde iemand anders: 'Op St. Stevensdag na Kerst [26 december] van het jaar 1548 stierf abdis Henrica van Erp'. Henrica werd begraven in de abdijkerk, waar haar 'witachtige' grafsteen in 1612 nog zichtbaar was toen de Utrechtse oudheidkundige Arnout van Buchell onderzoek deed in de ruïnes van Vrouwenklooster.[4]

Handschrift en druk De oorspronkelijke kroniek van Henrica is vermoedelijk verloren gegaan, maar uit de late zeventiende eeuw zijn er twee overleveringen bewaard gebleven, een in handschrift en een in druk. Het handschrift vindt men in de Utrechtse Universiteitsbibliotheek (hs. 1254, p. 307-336). Het betreft een afschrift naar de oorspronkelijke tekst door de Amsterdamse verzamelaar en amateurhistoricus Andries Schoenmaker (1660-1735), te dateren ca. 1700. In gedrukte vorm werd de tekst in 1698 uitgegeven door de rechtsgeleerde Antonius Matthaeus.[5] Sindsdien is de kroniek vaak gebruikt als bron voor de geschiedschrijving van stad en sticht van Utrecht in de vroege zestiende eeuw. Maar ook in een ander opzicht is de kroniek van belang. Er zijn namelijk nauwelijks kronieken van vrouwenkloosters bewaard gebleven en deze kroniek is ook nog eens geschreven door een vrouw, de abdis zelf.

De tekst van de kroniek zoals wij die kennen, is niet in deze vorm door Henrica geschreven. De aantekeningen na haar dood zijn afkomstig van tenminste twee andere vrouwen: Maria van Zuylen, abdis van 1570 tot 1576, die (deels in de ik-vorm) verslag doet van haar benoeming, en een onbekende non die schrijft over de officiële installatie en het feit dat 'mijn vrou' de kosten voor het feestmaal zelf voldeed. Maar ook de tekst over de periode vóór 1548 lijkt soms van latere datum te zijn. Zo staat bijvoorbeeld bij 1505 genoteerd dat 'mijn [abdis] Vrouwe van Erp' de abdij heeft laten verbouwen, en in 1517, dat 'mevrouw [Henrica] Van Erp op oudejaarsavond voor 214 goudguldens het huis van Hendrik van Esscheren' kocht. Bij het jaar 1539 wordt geschreven over de ziekte van de 'de toenmalige abdis, vrouwe Henrica van Erp'. De meeste aantekeningen zijn echter wel van Henrica zelf. Negen maal is er sprake van een 'ick' die op één plaats wordt gekoppeld aan de naam 'Henrica van Erp'. Op grond hiervan is de kroniek in de afschriften en in de druk toegeschreven aan Henrica.

Hiaten We weten niet precies wat Henrica beoogde met haar aantekeningen. Wilde ze verantwoording afleggen van haar daden? Wilde ze de onafhankelijke positie van het klooster verdedigen of versterken? Streefde ze erna een complete kloosterkroniek te schrijven en liet ze dus in feite een onvoltooid project achter? Dat zou kunnen verklaren waarom er zoveel gebeurtenissen en aspecten van het leven in Vrouwenklooster onvermeld blijven. Maar daar kan ook een andere verklaring voor zijn. Het enige bewaard gebleven handschrift van de kroniek begint namelijk met de zin 'Extract uyt seecker out boek geschreven by de hant van vrouwe Henrica van Erp, abdisse van Vrou-clooster'. Dit suggereert dat de oorspronkelijke kroniek uitgebreider is geweest.

Hoe het ook zij, de overgeleverde tekst bevat vele hiaten. Zo is er nauwelijks aandacht voor de verheffing van Vrouwenklooster tot abdij. Ook vermeldt Henrica van Erp lang niet alle wisselingen in belangrijke functies, inkledingen, professies en sterfgevallen. Sommige voorvallen worden wel beschreven, maar van elders bekende opmerkelijke details ontbreken, bijvoorbeeld het eerder aangehaalde heldhaftige optreden van Henrica bij het instorten van de toren. Er staat in de kroniek ook weinig over het geestelijk leven of over belangrijke kerkelijke ontwikkelingen. De verkiezing van Adriaan Florenszoon Boeyens tot paus in 1522 wordt niet vermeld terwijl er in het nabijgelegen Utrecht, waar hij vandaan kwam, uitbundig feest werd gevierd. Opvallend is ook het zwijgen over het overlijden op 25 juni 1514 van de bekende kluizenares Suster Bertken, die ingemetseld was in de Utrechtse Buurkerk.

Henrica van Erp schreef wel veel over de militaire en politieke gebeurtenissen die Vrouwenklooster raakten. De eigenlijke kroniek begint in 1505 als Henrica van Erp de bezitsgrenzen van de abdij preciseert. Daarna wordt de financiering van de verbouwing van het klooster behandeld. In een intermezzo besteedt Henrica aandacht aan de oorlog van de stad Utrecht tegen de Habsburg-getrouwe heer Floris van IJselstein in 1511, die Utrecht handenvol geld kostte. Echt uitvoerig schrijft zij over de roerige jaren na 1524, toen bisschop Filips van Bourgondië werd opgevolgd door Hendrik van Beieren en een deel van de burgers in opstand kwam. Boos was Henrica over de opgelegde belastingen en gedwongen leningen, waardoor Vrouwenklooster, net als de andere kloosters rond de stad, ongewild optrad als geldschieter voor de vele oorlogen. Hoewel het klooster zeer te lijden had van het oorlogsgeweld, hielden Henrica en haar joffers zich dapper staande.

Een nieuwe uitgave. De kroniek van Henrica, geschreven in de volkstaal, is een bijzonder document. Het is een belangrijke bron voor de geschiedenis van de stad Utrecht en De Bilt en hun omgeving en geeft een mooi beeld van de wijze waarop een krachtdadige abdis in een roerige periode leiding gaf aan haar klooster. Omdat haar kroniek sinds 1698 niet meer is herdrukt en die oude druk bovendien veel fouten bevat, is een nieuwe editie gemaakt. De originele tekst is voorzien van een uitgebreid notenapparaat met toelichtingen. Daarnaast wordt een vertaling gegeven in modern Nederlands. De inleiding behandelt de historische context.

Op basis van deze uitgave wordt hier een gedeelte van de tekst van de Kroniek gepubliceerd, namelijk het begin van de tekst dat de periode tot 1524 beslaat. Transcriptie en hertaling worden hier gepresenteerd in combinatie met afbeeldingen van het afschrift van Schoemaker (UB, hs. 1254, p. 307-314), waarop de nieuw uitgave is gebaseerd.


maart 2010, Anne Doedens en Henk van Looijesteijn


[1]. A. Doedens, 'Over de oudste oorkonde: Bilts begin in 1113', in: De Biltse Grift 17 (2008) 34-49. Het jaar 1113 wordt expliciet ondersteund door: C.A. van Kalveen, 'De vijf adellijke vrouwenkloosters', in: E.S.C. Erkelens-Buttinger e.a. (red.), De kerk en de Nederlanden. Archieven, instellingen, samenleving, aangeboden aan prof.dr. C. Dekker (Hilversum 1997) 152-167, met name 153-154. Interessant is trouwens de onjuistheid die in het artikel 'Vrouwen en visioenen in de abdij Oostbroek' van J.J. van Moolenbroek geslopen is. Deze beweert, dat de stichter van Oostbroek die daarvoor prior van het Brugse St. Andriesklooster was, Ludolf, pas na 1118 naar Oostbroek kan zijn gekomen, omdat in dat jaar Adelardus nog als prior van dit Brugse klooster genoemd wordt. Van Moolenbroek ziet hier echter over het hoofd, dat Ludolf de eerste prior van het Brugse klooster was en Adelardus na hem kwam. Hieruit blijkt dus het omgekeerde van wat Van Moolenbroek beweert: Ludolf was in elk geval al vóór 1118 naar het noorden vertrokken. Vgl. J.J. van Moolenbroek, Wonderen voor Alledag, Elf opstellen over Godsdienst en samenleving in de middeleeuwen (Hilversum 2006) 31-53, met name 40-41.

[2]. Over Jan van Erp onder meer: A.H. Schuttelaars, Heren van de Raad. Bestuurlijke elite van 's-Hertogenbosch in de stedelijke samenleving 1500-1580 (Nijmegen 1998) 270, 459, 498. Over de abdissen Ermgardis en Jacoba van Erp onder meer: J.B. Sivré, Het necrologium der adellijke abdij van O.L. Vrouw Munster te Roermond (Roermond 1876) 6 en 13.

[3]. Het Utrechts Archief (HUA), archief Vrouwenklooster, inv.nr. 250, fol. 44r.

[4]. HUA, Aernout van Buchel, Monumenta, fol. 139r.

[5]. A. Matthaeus, Analecta vet. Aevi... (1698-1710), dl. 1, 130-187. Collectie Henrica van Erp

   Bladeren
   Inleiding
   Colofon

Reageren

   contact over deze pagina

Collectie Onderzoek Thema's Educatie Archiefbeheer Expositie Activiteiten Het Utrechts Archief Actueel Webwinkel Links Organisatie Contact English

view all

Erica van Erp's Timeline