Johan Rudolph Thorbecke (1798 - 1872)

‹ Back to Thorbecke surname

Is your surname Thorbecke?

Research the Thorbecke family

Johan Rudolph Thorbecke's Geni Profile

Share your family tree and photos with the people you know and love

  • Build your family tree online
  • Share photos and videos
  • Smart Matching™ technology
  • Free!

Share

Birthplace: Zwolle, Overijssel, Nederland
Death: Died in Den Haag, Zuid-Holland, Nederland
Managed by: Johanna van Beusekom
Last Updated:

About Johan Rudolph Thorbecke

Dr.Mr. J.R. Thorbecke Liberale staatsman. Als voorzitter van de Grondwetscommissie in 1848 grondlegger van onze parlementaire democratie. Kwam al in 1844 met acht medeleden met een voorstel tot herziening van de Grondwet in democratische zin. Werd in 1848 door de koning gevraagd een liberale Grondwet te onderwerpen. Hierdoor kwamen er rechtstreekse verkiezingen en ministeriële verantwoordelijkheid, werden parlementaire rechten uitgebreid en werd de mogelijkheid van Kamerontbinding ingevoerd. Leidde daarna drie keer een kabinet, waarbij hij onder meer de Kieswet, Gemeentewet en Provincie Wet tot stand bracht. Legde daarmee ook de basis voor de bestuurlijke organisatie met drie bestuurslagen. Had niet de sympathie van koning Willem III. Hoewel hij veel medestanders later van zich vervreemdde en soms weerstanden opriep, was hij ongetwijfeld de grootste staatsman van de negentiende eeuw.

liberaal, Thorbeckiaan in de periode 1840-1872: buitengewoon lid Tweede Kamer, lid Tweede Kamer, minister, minister van Staat.


Loopbaan - ambteloos, van 1820 tot 1822 (reisde door Duitsland) - privaat-docent in de wijsbegeerte en geschiedenis te Giessen, van 1822 tot 1823 - ambteloos burger te Amsterdam, van 1824 tot mei 1825 - buitengewoon hoogleraar politieke en diplomatieke geschiedenis en statistiek, Universiteit te Gent, van 1825 tot 1830 - ambteloos, van 1830 tot maart 1831 - hoogleraar diplomatie en staatkundige geschiedenis, Hogeschool te Leiden, van maart 1831 tot 1834 - hoogleraar rechtsgeleerdheid, Hogeschool te Leiden, van 1834 tot 31 oktober 1849 - buitengewoon lid Tweede Kamer der Staten-Generaal, van 5 augustus 1840 tot 5 september 1840 (voor Holland) - lid Tweede Kamer der Staten-Generaal, van 21 mei 1844 tot 19 oktober 1845 (voor Zuid-Holland) - voorzitter Staatscommissie tot herziening van de Grondwet, van 17 maart 1848 tot 4 november 1848 - lid Tweede Kamer der Staten-Generaal, van 17 oktober 1848 tot 31 oktober 1849 (1848-1849 voor Zuid-Holland, in 1849 voor het kiesdistrict Leiden) - minister van Binnenlandse Zaken, van 1 november 1849 tot 19 april 1853 - voorzitter van de ministerraad, van 1 november 1849 tot april 1853 (formeel tijdelijk) - lid Tweede Kamer der Staten-Generaal, van 27 juni 1853 tot 31 januari 1862 (1853-1856 voor het kiesdistrict Maastricht, 1856-1862 voor het kiesdistrict Deventer) - minister van Binnenlandse Zaken, van 31 januari 1862 tot 10 februari 1866 - voorzitter van de ministerraad, van februari 1862 tot februari 1866 (formeel tijdelijk) - lid Tweede Kamer der Staten-Generaal, van 14 maart 1866 tot 1 oktober 1866 (voor het kiesdistrict Groningen) - lid Tweede Kamer der Staten-Generaal, van 19 november 1866 tot 3 januari 1868 (voor het kiesdistrict Assen) - lid Tweede Kamer der Staten-Generaal, van 25 februari 1868 tot 4 januari 1871 (voor het kiesdistrict Assen) - minister van Binnenlandse Zaken, van 4 januari 1871 tot 4 juni 1872 - voorzitter van de ministerraad, van januari 1871 tot 4 juni 1872 (formeel tijdelijk)

Ambtstitel - minister van Staat, van 9 februari 1866 tot 4 juni 1872

	

Nevenfuncties - lid Raad van State in buitengewone dienst, van 4 november 1848 tot 31 oktober 1849 - kabinetsformateur, van 3 oktober 1849 tot 15 oktober 1849 (samen met Nedermeyer ridder Rosenthal) - kabinetsformateur, januari 1862 - kabinetsformateur, van 23 mei 1868 tot 2 juni 1868 (formeerde het kabinet-Van Bosse/Fock) - kabinetsformateur, van december 1870 tot 2 januari 1871

	

Opleiding lager onderwijs - lagere school te Zwolle - lagere school te Amsterdam

Voortgezet onderwijs - Latijnse School te Zwolle, tot 1814

Academische studie - rechten, letteren en theologie, Atheneum Illustre te Amsterdam, van mei 1815 tot september 1818 - letteren en rechten (kandidaatsexamen), Hogeschool te Leiden, 1 oktober 1817 - letteren (gepromoveerd op dissertatie), Hogeschool te Leiden, van 1 oktober 1818 tot 19 juni 1820

Eredoctoraten - rechtsgeleerdheid, Hogeschool te Leiden, 14 juni 1831

	

Activiteiten als parlementariër - Stemde in 1840 met tien anderen tegen alle voorstellen tot Grondwetsherziening - Behoorde in 1844 tot de 28 leden die vóór het ontwerp-Adres van Antwoord stemde, waarin werd aangedrongen op grondwetsherziening - Nam op 2 december 1844 met acht geestverwanten (de "Negenmannen") het initiatief tot herziening van de Grondwet (invoering ministeriële verantwoordelijkheid en rechtstreekse verkiezingen Tweede Kamer volgens census-kiesrecht). De Tweede Kamer besloot op 31 mei 1845 met 34 tegen 21 stemmen het voorstel niet in behandeling te nemen. - Behoorde in 1844 tot de meerderheid die tegen een wetsvoorstel stemde over het doen van huiszoekingen in het kader van de accijns op vlees. Het wetsvoorstel werd met 27 tegen 26 stemmen verworpen. - Behoorde in 1845 tot de meerderheid die tegen het wetsvoorstel inzake onteigening ten algemene nutte stemde. Het wetsvoorstel werd met 31 tegen 20 stemmen verworpen. - Diende in 1853 met acht anderen een initiatiefwetsvoorstel in tot afschaffing van het tonnengeld en de accijns op geslacht; dit voorstel werd door de Tweede Kamer verworpen - Interpelleerde in 1855 minister Forstner van Dambenoy over de vraag of in de bestaande omstandigheden een verplaatsing van het Limburgs contingent buiten de grenzen te verwachten was - Interpelleerde in 1856 de ministers Van Reenen en Van Hall over de stremming van de scheepvaart op de Maas en het Zuid-Willemskanaal - Interpelleerde in 1858 minister Van Rappard over de stand van zaken bij de spoorwegen - Behoorde in mei 1866 tot de liberalen die vóór het amendement-Poortman op de ontwerp-Cultuurwet stemden. Aanneming van dit amendement leidde tot de val van het kabinet-Fransen van de Putte. - Interpelleerde in 1867 minister Van Zuylen van Nijevelt over Luxemburgse aangelegenheden - Interpelleerde in 1868 de regering over de (tweede opeenvolgende) Kamerontbinding. De interpellatie eindigde met aanneming van de motie-Blussé van Oud-Alblas, waarin de ontbinding niet in het landsbelang werd genoemd. Hij behoorde tot de voorstemmers.

als bewindspersoon (beleidsmatig) - De door hem ingediende ontwerp-Armenwet werd vanuit conservatieve en kerkelijke hoek sterk bekritiseerd vanwege het centralistische karakter en vanwege de aantasting van de kerkelijke armenzorg. Het voorstel werd door het volgende kabinet ingetrokken. - Verleende in 1872 dispensatie aan Aletta Jacobs om (als eerste vrouw) aan de Universiteit van Groningen medicijnen te gaan studeren.

als bewindspersoon (wetgeving) - Bracht in 1850 de Kieswet tot stand, waarin uitwerking werd gegeven aan de bepalingen van de herziene Grondwet. De Tweede Kamerleden werden via een districtenstelsel voor vier jaar gekozen, waarbij de helft om de twee jaar aftrad. Het land werd in 38 kiesdistricten verdeeld, waarvan 11 met één en 26 met twee afgevaardigden. Amsterdam koos vijf afgevaardigden. Wijziging van de districtsindeling moest iedere vijf jaar bij wet geschieden. - Bracht in 1850 de Provinciale Wet tot stand. Deze regelde het bestuur in de provincies. Provinciale Staten werden via een districtenstelsel voor zes jaar direct gekozen op basis van censuskiesrecht, waarbij de helft iedere drie jaar aftrad. Uit het midden van Provinciale Staten werd het College van Gedeputeerde Staten gekozen. In plaats van Gouverneurs kwamen er door de Kroon benoemde Commissarissen des Konings. De Commissaris werd voorzitter van Provinciale en Gedeputeerde Staten en had in laatstgenoemd college stemrecht. - Bracht in 1851 de Gemeentewet tot stand. Het onderscheid tussen steden en plattelandsgemeenten verdween en de Friese grietenijen werden eveneens gemeenten. De vaststelling van grenzen en vereniging en splitsing van gemeenten moest bij wet plaatsvinden. Aan het hoofd van de gemeente komt de rechtstreeks gekozen gemeenteraad, waarvan de leden voor zes jaar werden gekozen op basis van censuskiesrecht. De voor zes jaar door de Kroon benoemde burgemeester is voorzitter van de raad en van het dagelijks bestuur, het college van burgemeester en wethouders. De gemeenten zijn deels autonoom en hebben deels taken van zelfbestuur: zij voeren mede het rijksbeleid uit. Gedeputeerde Staten oefent repressief toezicht uit op de gemeentefinanciën en de Kroon op besluiten van de raad. Iedere gemeente kreeg een eigen gemeentelijke politie. - Bracht in 1851 een nieuwe Onteigeningswet tot stand. Onteigening moest bij wet geschieden onder verklaring dat onteigening ten algemene nutte strekte en met globale aanduiding van de werkzaamheden. - Bracht in 1852 een wet inzake de electro-magnetische telegrafen tot stand, waarbij de oprichting van de Rijkstelegraaf werd geregeld die het monopolie kreeg voor het verzenden van telegrammen - Bracht in 1852 de Wet inzake jacht en visserij tot stand, waardoor jagen of vissen op andermans grond alleen na schriftelijke toestemming van de eigenaar mogelijk werd. - Bracht in 1863 een wet tot vereniging van de gemeenten Haarlemmerliede en Spaarnwoude, Houtrijk en Polanen en Zuidschalkwijk tot stand - Bracht in 1863 de Wet op het middelbaar onderwijs tot stand, die onder meer een wettelijke basis gaf aan de hogere-burgerscholen. Verder werden er regels gesteld voor het onderwijs (vakken, examens, onderwijzers) aan burger- en landbouwscholen. De Koninklijke Academie in Delft werd Polytechnische School. Hier vond de opleiding van ingenieurs plaats. - Bracht in 1863 de Wet tot regeling van de exploitatie van staatsspoorwegen tot stand, waardoor de (particuliere) Maatschappij tot exploitatie van staatsspoorwegen concessie tot exploitatie kreeg. - Bracht in 1863 de Wet inzake het Noordzee-kanaal en die tot verbetering van de Nieuwe Waterweg tot stand - Bracht in 1864 een wet tot stand waardoor het ledental van de Tweede Kamer werd uitgebreid van 72 naar 75 - Bracht in 1865 wetten tot stand inzake het geneeskundig Staatstoezicht, inzake de uitoefening der geneeskunst en inzake de uitoefening van de artsenijbereidkunst, alsmede tot regeling van de bevoegdheid voor het verkrijgen van geneeskundige, apotheker, hulp-apotheker, leerling-apotheker en vroedvrouw. Op grond van de Wet inzake het geneeskundig staatstoezicht kwamen er inspecteurs en adjunct-inspecteurs van de volksgezondheid en geneeskundige raden.

view all

Johan Rudolph Thorbecke's Timeline

1798
January 14, 1798
Zwolle, Overijssel, Nederland
1838
January 18, 1838
Age 40
1838
Age 39
1841
April 15, 1841
Age 43
Leiden, South Holland, The Netherlands
1843
April 24, 1843
Age 45
Leiden, South Holland, The Netherlands
1848
May 23, 1848
Age 50
Leiden, Leiden, South Holland, The Netherlands
1872
June 4, 1872
Age 74
Den Haag, Zuid-Holland, Nederland
????
????
The Hague, The Hague, South Holland, The Netherlands