Conon, count of Montaigu

Marcourt, Luxembourg, Région wallonne, Belgium

Is your surname of Montaigu?

Research the of Montaigu family

Conon, count of Montaigu's Geni Profile

Share your family tree and photos with the people you know and love

  • Build your family tree online
  • Share photos and videos
  • Smart Matching™ technology
  • Free!

Conon of Montaigu, count of Montaigu

Dutch: Cono van Montaigu, graaf van Montaigu, French: Conon de Montaigu, comte de Montaigu, German: Kuno von Montaigu, Graf van Montaigu
Also Known As: "Cono de Montaut", "Cuno", "Cuono", "Cono de Monte Acuto", "Cono comes de Monte Acuto"
Birthdate:
Death: April 30, 1106 (61-70)
Kasteel Dalhem, Dalhem, Liege, Walloon Region, Belgium
Place of Burial: Dinant, Namen, Waals Gewest, Belgium
Immediate Family:

Son of Gozelo, count of Montaigu and Behogne and Ermentrude of Clermont
Husband of Ida de Fouron
Father of Gozelo II of Montaigu; Lambert, count of Montaigu and Clermont; Theobald of Montaigu; N.N. of Montaigu and Henry of Montaigu, the younger
Brother of Rodulph of Montaigu; Wido of Montaigu; John of Montaigu and Henry of Montaigu, the elder

Occupation: Comte, de Montagu, de Clairmont, Sieur, de Rochefort, Avoué, de Dinant, Croisé, seigneur de Rochefort avoué de Dinant
Note: military leader of the First Crusade
Managed by: Private User
Last Updated:

About Conon, count of Montaigu

-https://en.wikipedia.org/wiki/Conon,_Count_of_Montaigu ...was a Lotharingian nobleman and military leader of the First Crusade. He was one of the most prominent lords of the Ardennes, being the count of Montaigu, lord of Rochefort and advocate (defender) of the city of Dinant from 1064.[b] He was also one of the most important vassals of the bishop of Liège, holding the county of Huy from the church. His chief seat was the castle of Montaigu, while the castle at Huy was the redoubt of the bishops.[1]
- Family - Succession - Lotharingian politics - Crusade -


-https://fmg.ac/Projects/MedLands/LOTHARINGIAN%20(LOWER)%20NOBILITY.htm#CononMontaigudied1106

CONON de Montaigu, son of GOZELO Comte de Montaigu & his wife Ermengarde [de Clermont] ([1055/58?]-Dalhem 1 May 1106, bur Saint-Hubert). The Chronicle of Saint-Hubert names "Conone, Rodulfo, Widone et Henrico" as the sons of "Gozilo comes Bohaniæ" & his wife[193]. "Gosilonis comitis, Chimonis [Cunonis] et Rodulphi filiorum eius" witnessed an undated charter which records a donation to Brogne by "Heluidis"[194]. Comte de Montaigu. "Ermentrudis de Harenzey" donated "allodium…Sumey" to Ardenne Saint-Hubert, for the soul of "mariti mei Gozolonis", with the consent of "filiis meis…Cunone comite Rodulfo Guidone Joanne Henrico et fratribus meis Hezelino comite et Rainaldo et Balduino", by charter dated 1064[195]. "Ermengardis comitissa…ab avis atque atavis nobilibus" donated property "apud Villas Worommes et Longum-Campum [Woromes, Longchamp] …allodium de Rumines [Rummen]…allodium de Curinges [Curenge]…allodium…apud Gelmines et Berlinges…allodium de Brede [Brée] cum ecclesia…quos dedit Gerardo comiti" to the church of Saint-Bartholomée de Liège by charter dated 1078, witnessed by "tunc advocatus…comes Henricus de Dolvin-Castello…comes Cono de Monte-Acuto, Reginardus de Roden, Witmannus de Molenarche…"[196]. A charter dated [2 Apr 1089] records that “comitissam Ermentrudem...et filius eius comes Cono”, at the request of “Henricus...Leodicensis episcopus”, donated “allodium...in villa Liuns [Lion-devant-Dun]” to Saint-Airy de Verdun with the consent of “fratribus suis Rodulfo et Widone...ipso domno Henrico episcopo cum comite eiusdem...Henrico de Durboio et Godescalco de Ciniaco”[197]. "…Cuono comes et filii eius…" witnessed the charter dated 1091 under which Henri de Verdun Bishop of Liège approved the foundation of Flône[198]. “Comites Cono, Arnuldus de Loz, Reinerus, advocatus...” subscribed the charter dated to [25 Dec 1094/23 Sep 1095] under which Otobert Bishop of Liège donated “allodium de Hildenesen in Taxandria...et unum mansum in Herlechen” to the chapter of the Holy Cross, Liège[199]. Albert of Aix records that "Cononem comitem de Monte Acuto, Baldwinum de Burch, Godefridum de Ascha" were sent by Godefroi de Bouillon for the first meeting with the emperor after the arrival of the crusading army in Constantinople, dated to end 1096[200]. Albert of Aix names "…Gozelo et frater eius Lamtbertus…cum patre suo Conone de Monte Acuto…" among those who took part in the siege of Nikaia, dated to mid-1097 from the context[201]. Seigneur de Rochefort. Avoué de Dinant. The Chronicle of Alberic de Trois-Fontaines records the death in 1106 of "comes Cono de Monteacute" and his burial at Saint Hubert, specifying that he returned prosperous from overseas[202], presumably indicating his participation in the First Crusade. The Chronicle of Saint-Hubert records the death "Kal Mai apud castrum Dolhem" of "comes Cono" and his burial "Dinanum"[203].

m firstly IDA, daughter of LAMBERT [de Fouron] & his wife ---. The Chronicle of Saint-Hubert, interpolated in the Chronicle of Alberic de Trois-Fontaines, names "Ida filia senioris Lamberti" as wife of "comes Cono de Monteacute"[204]. Roland says that “nous croyons découvrir le beau-père du comte Conon dans Lambert de Foron ou Fouron”[205].

m secondly ([after 1080]) as her second husband, IDA [de Boulogne], widow of HERMANN [von Malsen], daughter of [EUSTACHE [II] Comte de Boulogne & his wife Ida of Lotharingia]. Europäische Stammtafeln[206] shows Ida, wife [firstly] of Hermann [von Malsen] and [secondly of Conon de Montaigu], as a possible daughter of Comte Eustache II & his wife Ida. The only partial corroboration for this so far found is Orderic Vitalis who says that "Cono comes Alemannus" married "Duke Godfrey's sister"[207]. The primary source which confirms her name has not yet been identified.

Comte Conon & his [first/second] wife had four children:


attention profile with very very long doble description in Nederlands

Over Cono, graaf van Montaigu (Nederlands)

Cono van Montaigu volgde in 1064 zijn vader op als graaf van Montaigu, heer van Rochefort en voogd van Dinant. Tussen 1064 en zijn dood in 1106 was hij aanwezig bij de meest belangrijke transacties van de Luikse bisschoppen Theodwin, Hendrik van Verdun en Otbert. In 1071 was hij samen met andere Lotharingse edelen bondgenoot van gravin Richilde van Henegouwen in haar vergeefse strijd om het graafschap Vlaanderen terug te veroveren op haar zwager Robrecht de Fries. Rond 1082 was hij één van de Luikse edelen die betrokken waren bij de door Hendrik van Verdun, bisschop van Luik, afgekondigde Luikse Godsvrede (Tribunal de la Paix). Rond 1093 nam hij het op voor de door bisschop Otbert van Luik afgezette abt van Saint Hubert Thierry II. In 1096 verkocht hij het allodium Felc bij Nassogne samen met andere goederen aan de Abdij van Saint Hubert om fondsen te verwerven voor zijn deelname aan de Eerste Kruistocht. Ook deed hij afstand van een cijns te Dinant, die daarna door bisschop Otbert van Luik geschonken werden aan Sint Maria en Sint Perpetus. In augustus 1096 voegde hij zich met zijn zonen Gozelo en Lambert bij het leger van Godfried van Bouilon, waarin hij een prominente rol vervulde. Samen met Boudewijn van Bourg en Godfried van Esch werd hij door Godfried van Bouillon uitgezonden werden voor een ontmoeting met keizer Alexios na de aankomst van het Kruisvaarders leger in Constantinopel eind 1096. Later ontving hij namens hertog Godfried de gezant van de keizer, Johannes Komnenos. Midden 1097 nam hij met zijn zonen deel aan het beleg van Nicaea.
In de Gesta Tancredi van Raoul van Caen wordt een incident vermeld tussen twee leiders van de eerste Kruistocht die met elkaar overhoop lagen, namelijk Boudewijn van Boulogne, de broer van Godfried van Bouillon, en Tancred onder wiens leiding Boudewijn diende. Tancred had eind september 1097 de stad Mamistra veroverd en legerde zich in de stad. Niet lang daarna arriveerde Boudewijn met zijn leger maar vond de toegang tot de stad versperd. Hij had het plan verder te trekken, maar door ziekte van zijn aanzienlijkste metgezel, graaf Cuno van Montaigu, werd dat verhinderd. Tegen zijn zin in moest hij nu zijn kamp wel opslaan voor de muren en moest uit noodzaak Tancreds medewerking inroepen voor de ravitaillering van zijn troepen. Tancred stemde in maar toch ontstonden er onderling schermutselingen. Tancred en Boudewijn zagen het onwaardige en riskante van een dergelijke ruzie in. Zij verzoenden zich met een schadeloosstelling van beide kanten en Boudewijn trok, om een herhaling te voorkomen verder in de richting van Antiochië, nu blijkbaar door de ziekte van graaf Cuno niet langer in zijn bewegingen belemmerd.
Op 12 augustus 1099 vocht Cono van Montaigu mee in de slag bij Ascalan. Daarna keerde hij terug naar zijn vaderland. Zijn eerste vermelding in Lotharingen na terugkomst uit het Heilige Land dateert van 10 maart 1100. De kroniek van Sint Hubert vermeld zijn overlijden "Kal Mai apud castrum Dolhem". Hij werd begraven te Dinant.
Cuno van Montaigu wordt soms aangemerkt als zwager van Godfried van Bouillon, hertog van Neder-Lotharingen. Dit is gebaseerd op de Orderici Vitalis, waarin wordt vermeld dat Cono gehuwd was met een zuster van hertog Godfried. Deze claim wordt echter niet bevestigd door andere bronnen met locale kennis van Lotharingen en Boulogne. Murray gaat er daarom van uit dat de informatie van Orderic het resultaat is van verwarring over de naam van Cono's echtgenote Ida. Van graaf Eustachius II van Boulogne en zijn echtgenote Ida van Lotharingen zijn geen dochters bekend en de echtgenote van Cono van Montaigu wordt in de kroniek van de Abdij van Saint Hubert genoemd als Ida, dochter van graaf Lambert de Oude (van Voeren). Het ligt volgens Murray wel voor de hand dat er een zekere verwantschap bestond tussen Cono van Montaigu en Godfried van Bouillon, gezien het gebruik van de naam Gozelo in zowel de Lotharingse hertogenfamilie als de familie der graven van Montaigu.
Roland geeft aan dat in oudere literatuur aan Cono ook twee dochters worden toegeschreven, te weten Longarde, echtgenote van graaf Giselbert van Clermont, en Reine, zuster in het Benedictijnerklooster te Marcigny. Voor beide vrouwen beargumenteert Roland dat zij wel hebben bestaan, maar dat zij geen dochters zijn geweest van graaf Cono van Montaigu.
(literatuur: C.-G. Roland. "Les seigneurs et comtes de Rochefort. II. Conon Comte de Montaigu (1064-1106)", Annales de la Société Archéologique de Namur, Tome 20, Namur, 1893, pag. 93-112; Alan V. Murray. “The army of Godfrey of Bouillon, 1096-1099 : Structure and dynamics of a contingent on the First Crusade”. Revue belge de philologie et d'histoire, tome 70, fasc. 2, 1992, pag. 304; Alan V. Murray. The Crusader Kingdom of Jerusalem. A Dynastic History 1099-1125. Prosopographica et Genelogica. Occasional Publications of the Linacre Unit for Prosopographical Research, vol. 4. Oxford, 2000, pag. 189-191; Nico van Dinther. De Luihgouw en de problematiek rond de Heren van Voeren en hun nakomelingen, publicatie op www.nicovandinther.nl, 2016, pag. 11-12)

1055: Keizer Hendrik bevestigt de stichting door Godfried, hertog van Lotharingen, van de priorij van Longlier, en de schenking ervan aan de Abdij van Florennes. Getuigen zijn onder andere bisschop Diethwinus, hertog Fridericus, graaf Goselo en zijn zonen Cuono en Rodulphus, Eustachius de Bolonia, graaf Fulco van Arlon, Godefridus de Bullonio, Engebrans de Mossonio, Ysambardus de Virduno, Adelardus en Thieselinus de Urciso-monte, Walterus de Wadiso-monte, Seifridus neef van hertog Godefridus, Thiebaldus de Tilacio, Stephanus de Prondesino, Hugo de Hollongia, Gislebertus en zijn broer en Godescalcus de Cennaco (bron: Joannes Franciscus Foppens S.T.L. Opera Diplomatum Belgicorum Nova Collectio sive Supplementum ad Operat Diplomatica in quo Continentur Chartae Fundationum ac Donationum piarum, Testamenta, Privilegia, & alia Antiquitatis Monumenta, a Pontificibus, Imperatoribus, Regibus, Principibusque Belgii edita, & ex ipsis Tabularum publicarum fontibus eruta; una cum Indice Topograhico locupletiore. Tomus Quartus. Petrus Foppens, Bruxelles, 1748, Caput XII, pag. 182-183; online beschikbaar via Google Books)

1064: Frederik, hertog van Lotharingen, bevestigt de schenking van de kerk van Longlier door Godfried, hertog van Lotharingen aan de abdij van Florennes. Deze schenking vond plaats met toestemming van Godfrieds vrouw Beatrix, aan wie de kerk als erfenis was aangekomen, en met toestemming van zijn zoon Godfried en diens verloofde Mathilde, de dochter van Beatrix. Getuigen zijn onder andere hertog Fridericus, graaf Gozelo en zijn zonen Cuono en Rodulphus, Eustatius de Bolonia, graaf Fulco van Erlon, Rodericus, Warinus, Walcherus, Heribertus, Godefridus de Bullonia, Engebrandus de Mozonio, Adelardus en Thietzelinus de Urcisomonte, Thiebaldus de Soronio, Gislebertus en zijn broer Godescalcus de Cennaco, Humbertus de Leodio, Hugo de Hollongia, Wazo de Foriers, Stephanus de Pondresmo, Waltherus de Waldisomonte, Ysenbardus de Virduno, Refridus neef van hertog Godefridus en fideiussores van Godefridus junior zoon van de hertog, Herbrandus de Bullonio, Ernulphus de Ware en Thietbaldus de Tilacio (bron: Diplomata Belgica)

1064: Ermentrudis de Harenzey, weduw van Gozolo, schenkt haar goed te Sumay aan de abdij van Sint Hubertus met goedkeuring van haar zoons, graaf Cuno, Rodulfus, Guido, Joannes en Henricus en haar broers graaf Hezelinus, Rainaldus en Balduinus. Als getuigen vanuit de familie treden op Hugo, Libertus, Franco, Rodulfus, Arnulfus en Garinus (bron: Godefroid Kurth, ed. Chartes de l'Abbaye de Saint-Hubert en Ardenne. Tome Premier. Librairie Kiessling et Cie, P. Imbreghts, successeur, Bruxelles, 1903, nr. 18, pag. 19-20; online beschikbaar via archive.org)

24 augustus 1066: Theodwin, bisschop van Luik, schenkt het kapittel van de Collegiale kerk van Huy verscheidene goederen en ontrekt deze aan het gezag van een aartsdiaken en een ondervoogd. Getuigen zijn onder andere graaf Aldebertus, graaf Henricus, graaf Cono, Walterus voogd van deze kerk, Godescalcus de Ceunaco, Godefridus en Arnulphus de Florines, Theodericus de Floreffia en zijn broer Cristinus, Hermannus de Heis en Stefanus de Fals (bron: L.F. Genicot. "Le chapitre de Huy au tournant des XIIe et XIIIe siècles. Vie commune, domaine et prévôté", Revue d'Histoire ecclésiastique, jaargang 59, 1964, nr. 1, pag. 36-42 en E. Schoolmeesters en S. Bormans. "Notice d'un cartulaire de l'ancienne église collégiale et archidiaconale de Notre-Dame à Huy". Compte-rendu des Séances de la Commission royale d'Histoire, 4e série, tome 1, 1873, nr. I, pag. 90-96, online beschikbaar via Archive.org en Diplomata Belgica)

26 augustus 1066: Theodwin, bisschop van Luik, verleent de burgers van Huy een charter van franchise. Getuigen zijn onder andere Godofridus Barbatus, hertog van Lotharingen, graaf Albertus van Namen, graaf Henricus van Luxemburg, graaf Cono van Montaigu, Walterus, voogd van Huy, Godscalcus de Cennaco, Godefridus en Arnulphus de Florinnes en Godefridus de Floreffia en zijn broer Christianus (bron: A. Joris. La ville de Huy au Moyen Age. Des origines à la fin du XIVe siècle. Bibliothèque de la Faculté de Philolosophie et Lettres de l'Université de Liège, 152, Paris, 1959, pag. 479-484, online beschikbaar via Diplomata Belgica)

1067: Theodwin, bisschop van Luik, schenkt het allodium Ulbeek, dat hij heeft verworven van de vrije mannen Franco en Hillinus, aan het kapittel van Huy en regelt de voogdij. Getuigen onder andere proost Hermannus, aartsdiaken Boso, aartsdiaken Godescalcus, graaf Albertus van Namen, graaf Cono, graaf Adelbertus en zijn broer graaf Hermannus, Godefridus de Florines, Godescalcus de Ceunaco en Hermannus de Heis (bron: E. Schoolmeesters en S. Bormans. "Notice d'un cartulaire de l'ancienne église collégiale et archidiaconale de Notre-Dame à Huy". Compte-rendu des Séances de la Commission royale d'Histoire, 4e série, tome 1, 1873, nr. II, pag. 96-98, online beschikbaar via Archive.org en Diplomata Belgica)

1068: Theodwin, bisschop van Luik, machtigt de brouwers van Huy om waar dan ook de "pigmentum" aan te schaffen die nodig is voor de productie van het bier, omdat het water van deze stad hier niet geschikt voor is. Getuigen onder andere aartsdiaken Godescalcus, Boso, Dietwinus, decaan Wolbertus, scolasticus Franco, graaf Albertus en zijn broer Henricus, graaf Cono en Godescalcus de Ceunaco (bron: E. Schoolmeesters en S. Bormans. "Notice d'un cartulaire de l'ancienne église collégiale et archidiaconale de Notre-Dame à Huy". Compte-rendu des Séances de la Commission royale d'Histoire, 4e série, tome 1, 1873, nr. III, pag. 98-100, online beschikbaar via Archive.org en Diplomata Belgica)

Fosses, april 1071: Richilde, gravin van Henegouwen, draagt Henegouwen over aan Theodwin, bisschop van Luik, en krijgt het van hem weer in leen in ruil voor geld en manschappen. Getuigen onder andere hertog Godfried van Bouillon, graaf Albert van Namem, graaf Lambert van Leuven, de graaf van Chiny, de graaf van Montaigu ("Montaghu en Ardenne") (bron: Le Baron de Reiffenberg. Monuments pour servir à l'Histoire des provinces de Namur, de Hainaut et de Luxembourg. Tome I, M. Hayez, Bruxelles, 1844, Cartulaires de Hainaut nr. I, pag. 311-312; online beschikbaar via Google Books

1078: Hendrik I van Verdun, bisschop van Luik, schenkt aan de kerk van Hanret allodia te Gelmen, Berlingen en Bree en verscheidene wijngaarden. Getuigen zijn onder andere graaf Albertus van Namen en zijn broer Henricus, graaf Emmo en Octo van Loon, graaf Cuono, Raynardus en Wychmannus, Godefridus de Florinnes en Arnulphus Delinus Walecourt (bron: Joseph Daris. Notices sur les églises du diocèse de Liège, Tome 6, Imprimerie et Litographie Demarteau, Liège, 1875, pag.182-183, online beschikbaar via Donum en Diplomata Belgica)

1078: Gravin Ermengardis geeft aan de kerk van Sint-Bartholomeus, aan andere kerken van Luik en aan O.L.V. van Hoei goederen ook graaf Gerard (van Wassenberg) ontvangt goederen te Bree. Onder de getuigen graaf Cono van Montaigu, Reginardus de Roden, Witmannus de Molenarche, Godeschalcus de Cennaco, Lambertus de Foron, Tureuinus de Wodelmont, Menirnus, Lambertus, Zebehardus, Lambertus de Ponte, Lambertus, Fredericus, Godefridus, Fredericus, Lienbertus, Waselinus en zijn zoon Lambertus en Waselinus (bron: Joannes Mantelius en Laurentius Robyns. Diplomata Lossensia sive Privilegia, Paces, Pacta, Donationes, Infeudationes, &c. concernentia tam Comites, quàm Comitatum de Looz. Pars Secunda, Luik, 1717, nr.13, pag.13-15, online beschikbaar via Google Books en Diplomata Belgica)

5 februari 1079: Ermengarde schenkt aan de kerk van Sint Lambertus te Luik goederen gelegen te Waremme, Berlingen, Jamine, Looz, Rummen, Curange en Bree. Hendrik, bisschop van Luik, doet van zijn kant afstand van het vruchtgebruik van twee hoeven, de ene gelegen te Frère en de andere te Alken. Getuigen zijn onder andere voogd Reinerus, graaf Adelbertus, Heinricus, Warnerus en zijn zoon Henricus, graaf Cono, Rodulphus zijn broer, graaf Otto, graaf Arnulphus, Godefridus en Arnulphus, Godecalcus van Cennaco, Arnulphus en Lambertus, Gerardus, Ebroinus, Lanfridus, Wigerus en Berengerus, Giselbertus, Vdelinus, Godefridus, Cono, Fastradus, Wenricus, Lambertus, Giuardus, Hostis, Cono, Ebroinus, Mainerus en Ricardus, Reinbaldus, Adelbertus, Vdo, Juele, Wimannus, Reinardus en Theodericus de Bietere (bron: S. Bormans et L. Schoolmeesters. Cartulaire de l’Église Saint-Lambert. Tome Premier. F. Hayez, Imprimeur de l’Académie Royale des Sciences, des Lettres et des Beaux-Arts de Belgique, Bruxelles, 1893, nr. XXVI, pag. 38-45)

26 december 1079 (VII Kal. Januarii): Hendrik van Verdun, bisschop van Luik, schenkt aan de kerk van Sint Laurentius in Saint Laurent de helft van de kerk van Incourt met andere goederen. Getuigen onder andere aartsdiaken Godescalcus, de andere aartsdiaken Godescalcus, aartsdiaken Herimannus, proost Levoco, proost Henricus, Robertus proost van Sint Maria, scholasticus Franco, kapelaan Godescalcus, kapelaan Thiebaldus, graaf Heinricus, graaf Cuono, Godescalcus de Cinnei, Lambertus zoon van Lambertus de Foron, Lambertus de Kamont, Walterus de Holois en Franco de Hendrekines (bron: Joannes Franciscus Foppens S.T.L. Opera Diplomatum Belgicorum Nova Collectio sive Supplementum ad Operat Diplomatica Auberti Miraei Cathedralis Ecclesiae Antverpiensis quondam decano in quo Continentur Chartae Fundationum ac Donationum piarum, Testamenta, Privilegia, & alia Antiquitatis Monumenta, a Pontificibus, Imperatoribus, Regibus, Principibusque Belgii edita, & ex ipsis Tabularum publicarum fontibus eruta; una cum Indice Topograhico locupletiore, duobos etiam praecedentibus Voluminibus Operatum Diplomaticum ejusdem Auberti Miraei correspondente. Tomus Tertius. Petrus Foppens, Bruxelles, 1734, Caput XVI, pag. 17, online beschikbaar via Google Books en via Diplomatica Belgica)

1079: Hendrik, bisschop van Luik, doet uitspraak in een twist tussen de Abdij van Sint Hubertus en de Collegiale kerk van Sint Petrus te Luik over de tienden van Verenne en Wavreille. Namens de Collegiale kerk van Sint Petrus treedt op proost Johannes, broer van graaf Cono ("Iohannes frater Cononis comitis"). De uitspraak valt uit in het voordeel van de Abdij van Sint Hubertus. Getuigen zijn onder andere abt Theodericus, Boso, Iohannes, Hugo, Engon, Tiebaldus en Godefridus (bron: Diplomata Belgica)

1 september 1080: Godescalc, abt van Waulsort, wil ingaan op het verzoek van bisschop Hendrik van Luik en graaf Albert van Namen om een een bijdrage te leveren aan een stenen brug over de Maas te Dinant en geeft het recht van scheepvaart en tolheffing op de Maas op, onder de voorwaarde dat religieuzen en leenmannen van zijn klooster het recht hebben op vrije passage over de genoemde brug. De oorspronkelijke toezegging is gedaan in het bijzijn van onder andere bisschop Heinricus, graaf Albertus van Namen, graaf Cono, proost Freuuuardo, villicus Isaac en Gozuinus de Rupe. Getuigen bij de oorkonde zelf zijn onder andere heer Heinricus, bisschop van Luik, abt Godescalcus, graaf Albertus en zijn zoon Godefridus, graaf Cono, voogd Theodoricus en zijn broer Heribrandus, Godefridus de Han en zijn broer Cono (bron: Stanislas Bormans. Cartulaire de la commune de Dinant. Tome I, deuxième livraison, 1060-1449, Imprimerie Ad. Wesmael-Charlier, Namur, 1880, nr. 2, pag. 8-11, online beschikbaar via archive.org en Diplomata Belgica)

1081: Hendrik I van Verdun, bisschop van Luik, bevestigt het bezit door de Abdij van Sint Laurentius te Luik van de Villula Mareis en legt de rechten vast van de voogd op dit domein. Getuigen onder andere graaf Albertus, graaf Cuno, Arnulphus en Godescalcus (bron: "Historia insignis Monasterii Sancti Laurentii Leodiensis". In dominus Edmundus Martene en dominus Ursinus Durand. Veterum Scriptorum et Monumentorum Historicorum, Dogmaticorum, Moralium, Amplissima Collectio. Tomus IV. Complectens plures scriptores historicos de rebus praesertim Germanicis. Montalant, Paris, 1729, Appendix nr. VIII, kol. 1174-1175, online beschikbaar via documentacatholicaomnia.eu en via Diplomatica Belgica)

1082-1087: Hendrik I, bisschop van Verdun, schenkt aan de abdij van Sint Hubertus zijn goederen te Bras en later ook zijn goederen te Grupont. Als getuigen tekenen onder andere hertog Godefridus, graaf Albertus en zijn broer Henricus, graaf Cuno en zijn broer Wuido, Hugo de Bullon, voogd Thiebaldus en zijn zoon Rodulfus, Gillebertus, Godescalcus, Lambertus de Foron, Albericus, Anselmus en Cuno en zijn broer Godefridus (bron: Godefroid Kurth, ed. Chartes de l'Abbaye de Saint-Hubert en Ardenne. Tome Premier. Librairie Kiessling et Cie, P. Imbreghts, successeur, Bruxelles, 1903, nr. 56, pag. 69-72; online beschikbaar via archive.org en Diplomata Belgica)

1084: Godfried van Bouillon schenkt aan de Abdij van Saint Hubert de kerk van Baisy en geeft tegelijkertijd de kerk van Sensenruth terug aan de abdij. Getuigen zijn onder andere Balduinus en Eustachius, broers van Godfried van Bouillon, graaf Hugo en zijn zoon Balduinus, burggraaf Heribrandus, graaf Arnulphus van Chiny, Ramboldus, Rodericus, Godefridus Maceriensis, graaf Cono, Hugo en zijn zoon Gualterus, Tietbaldus en zijn zonen Rodulphus en Johannes, Amalricus en Heribertus en zijn zoon Lambertus (bron: Godefroid Kurth, ed. Chartes de l'Abbaye de Saint-Hubert en Ardenne. Tome Premier. Librairie Kiessling et Cie, P. Imbreghts, successeur, Bruxelles, 1903, nr. 48, pag. 59-62; online beschikbaar via archive.org)

1085: Albert, graaf van Namen, roept een aantal geestelijken en edelen bijeen te Hastières en erkent, handelend als grootvoogd van de Abdij van Waulsort, in hun aanwezigheid dat de abdij onrechtmatig de allodia te Moxhe, Ciplet, Flun, Gérin en Hellencut, die van oudsher toebehoorden aan de kerk van Hastière, met haar eigen goederen samengevoegd heeft, en herstelt hij de prior van Hastières in zijn rechten over die goederen, onder protest van de abt van Waulsort. Getuigen zijn onder andere Herimannus bisschop van Metz, Heinricus bisschop van Luik, graaf Albertus, graaf Arnulfus, graaf Cuno, voogd Teodericus, Euuardus de Nodebais, Cuno de Han en zijn broer Godefridus, Herimannus de Heis, Galterus de Dalbis, Heilbertus de Maceriis, Franco de Onhaia, Guarnerus neef van voogd Teodericus, Hugo de Heria, Iohannes de Baronuilla en Hugo (bron: Georges Despy, Les chartes de l'abbaye de Waulsort. Publications de la Commission royale d'Histoire, Tome I, Bruxelles, 1957, n.19, pag. 346-348; online beschikbaar via Diplomata Belgica)

1086: Hendrik van Verdun, bisschop van Luik, wijdt het Onze Lieve Vrouwe altaar in de collegiale kerk van Dinant en geeft de kanunniken de offerandes terug die hen door zijn voorgangers zijn afgenomen. Getuigen zijn onder andere graaf Cono, zijn zonen Gozelo, Lambertus en Theobaldus, Streduardus kanunnik van Sint Lambertus, Joannes, Lanselinus, Ermericus, Tiezelinus, Lambertus, Lamfridus, Robertus en Alnilfus (bron: C.-G. Roland. "Les seigneurs et comtes de Rochefort", Annales de la Société Archéologique de Namur, Tome 20, Namur, 1893, pag. 98; online beschikbaar via Université de Namur)

Aken, 1087: Keizer Hendrik IV bevestigt de vrijheid van het klooster van Sint Servatius te Maastricht en treft een regeling met betrekking tot de aanstelling van de voogd en de proost. Getuigen zijn onder andere Magnus, hertog van Saksen, Cunradus hertog van Lotharingen, markgraaf Godefridus, graaf Albertus en zijn broer Heinricus, graaf Cono, graaf Arnoldus, graaf Heinricus de Lacho, graaf Godefridus de Kerclo en zijn zoon G (bron: bron: Joannes Franciscus Foppens S.T.L. Opera Diplomatum Belgicorum Nova Collectio sive Supplementum ad Operat Diplomatica in quo Continentur Chartae Fundationum ac Donationum piarum, Testamenta, Privilegia, & alia Antiquitatis Monumenta, a Pontificibus, Imperatoribus, Regibus, Principibusque Belgii edita, & ex ipsis Tabularum publicarum fontibus eruta; una cum Indice Topograhico locupletiore. Tomus Quartus. Petrus Foppens, Bruxelles, 1748, Caput XV, pag. 186 en Dietrich van Gladiss, bearbeiter. Monumenta Germaniae Historica. Diplomata regvm germaniae et imperatorvm germaniae. Tomvs VI. Heinrici IV. diplomata. Pars II. Die Urkunden der Deutschen Könige und Kaiser. Sechster Band. Die Urkunden Heinrichs IV. Zweiter Teil. Verlag Hermann Böhlaus Nachfolger, Weimar, 1959; onveranderde nadruk Hahnsche Buchhandlung, Hannover, 2001, nr. 395, pag. 522-523; online beschikbaar via Google Books - volgens Von Gladiss een vervalste oorkonde)

1091: Hendrik I, bisschop van Verdun, keurt de stichting goed van een hospitaal en een oratorium te Flône gewijd aan Sint Matthias. Getuigen zijn onder andere hertog Godefridus, graaf Albertus van Namen, graaf Heinricus van Leuven, graaf Cuono en zijn zonen, graaf Arnulfus van Loon, graaf Arnulfus van Chiny, Heinricus en zijn broer Warnerus de Greys, Godescalcus de Cennaco, Hugo de Daveles, Godefridus de Han, Ewerwinus de Waldenmont, Rodulfus de Bossut, Godescalcus de Jace, Walcherus de Fosses, Johannes de Holenguile en Dodo de Hoio (bron: "Documents". Analectes pour servir à l'histoire ecclésiastique de la Belgique. Deuxième Série, Tome septième. XXIIIe de toute la collection, Louvain, 1892, nr. 1, pag. 282-285, online beschikbaar via hathitrust.org)

31 maart 1092: Bevestiging van de schenking door Hendrik I van Verdun, bisschop van Luik, van het allodium Boignies aan het kapittel van Fosses. Getuigen onder andere graaf Albertus van Namen en zijn zoon Godefrindus, graaf Cuono en zijn zoon Gozelo, graaf Arnulfus, voogd Guigerus, Henricus de Asche, Godefridus de Ham en zijn broer Cuono, Iohannes de Montigney, Godefridus de Andreloiz en voogd Rainerus (bron: F. Baron de Reiffenberg. "Chartrier de Namur". Monuments pour servir à l'histoire des provinces de Namur, de Hainaut et de Luxembourg. Publications de la Commission royale d'Histoire, Tome Ier, M. Hayez, Bruxelles, 1844; nr. I, pag. 125-126, online beschikbaar via Google Books)

1095: Godfried van Bouillon, voogd van het kapittel van Sint Adalbertus te Aken, en graaf Albert III van Namen, voogd van de Abdij van Stavelot, beslechten een geschil tussen het kapittel van Sint Adalbertus en de Abdij van Stavelot. Getuigen zijn onder andere hertog Godefridus, graaf Albertus en zijn zoon Henricus, graaf Cuono en zijn broer Rodulfus, voogd Adelardus, Thiebaldus, Wolbertus, Hermanuus de Heys, Boso de Bra, Waltherus de Abliz en Robertus de ... (bron: Wilhelm Ritz. Urkunden und Abhandlungen zur Geschichte des Niederrheins, und der Niedermaas. 1ten Bandes, 1te Abtheilung. J.A. Mayer, Aachen, 1824, nr. 41, pag. 55-58, online beschikbaar via Bayerische StaatsBibliothek digital)

1096 (voor 14 juni): Otbert, bisschop van Luik, schenkt aan de kerk van Sint Maria en de kerk van Sint Perpetus bepaalde rechten te Dinant. Daarbij zijn ook bepaalde cijnzen, te ontvangen op Maria Hemelvaartsdag, die afkomstig zijn graaf Cono, die naar Jerusalem gaat. Getuigen zijn onder andere: voogd Walterus, graaf Gislebertus, graaf Mainerus, Arnulfus, Heribrandus, Gozelo, Lambertus, proost Robertus, decaan Gorzo, Lambertus, Lantfridus, judex Everardus, Lambertus, Dodo, villicus Cotmanus, Amicus en Hildricus (bron: Stanislas Bormans. Cartulaire de la commune de Dinant. Tome I, deuxième livraison, 1060-1449, Imprimerie Ad. Wesmael-Charlier, Namur, 1880, nr. 3, pag. 12-15, online beschikbaar via archive.org)

1096 (voor 10 augustus): Ida, gravin van Boulogne, dochter van hertog Godefridus en weduwe van graaf Eustachius, schenkt aan de abdij van Affligem de kerk van Genappe met zijn tienden en inkomsten en met nabijgelegen land, in het bijzijn van haar zoons Godefridus, Eustachius en Balduinus. Als getuigen zegelen Gerardus, graaf van Gelre en zijn broer Henricus, Godescalcus de Iacen, Henricus de Cuc, Arnulfus de Rode, Cono de Montaut, Theodericus de Bemele, Henricus de Birbaica, Balduinus de Ostruic, Walterus de Grimberges en Reinerus voogd van Luik (bron: E. de Marneffe. Cartulaire de l'abbaye d'Afflighem et des monastères qui en dépendaient. Analectes pour servir à l'histoire ecclésiastique de la Belgique. Série des cartulaires et des documents étendus, IIe Section. Leuven, 1900, nr. VI, pag. 13-15; in de bewerking van dezelfde oorkonde in Mr. L.A.J.W. Baron Sloet. Oorkondenboek der Graafschappen Gelre en Zutphen, tot op den slag van Woeringen, 5 juni 1288. Eerste gedeelte. Tot den dood van Graaf Gerard 22 October 1229, Martinus Nijhoff, 's-Gravenhage, 1872, nr. 196, pag. 195 ontbreekt Arnulfus de Rode; de fijnstelling van de datum tot "voor 10 augustus" is gedaan door Hans Vogels (Hans Vogels. Mierlo, zijn oudste heren en hun familie (c. 1100-1335). een genealogische en historische reconstructie. Heemkunde kring Myerle, Mierlo, 1999, page 62) en is gebaseerd op het feit dat Godfried van Bouillon op die datum begon aan de Eerste Kruistocht, zodat de oorkonde wel moet dateren van voor 10 augustus)

Aachen, februari 1098: Keizer Hendrik IV voegt een oorkonde in van abdis Richeza van Nijvel uit 1096 over de aanwinst van de goederen Genappe en Baisy, waarover de voogdij onder bepaalde beperkingen aan de graaf van Leuven wordt toegekend. Getuigen van de originele oorkonde uit 1096 zijn onder andere hertog Godefridus en zijn broer Balduinus, landgraaf Gerardus en zijn broer Henricus, Gozuinus de Hinseberg, Cuno de Montacut, Warnerus de Greiz en zijn broer Henricus, Henricus de Ase en zijn broer Godefridus, Godefridus de Saffenberg, Walterus de Grimbergez, Henricus de Bierbas, de Luikse voogd Rainerus, Mainerus de Cortrec, Walderus de Bacunirnerz, Heribrandus en Walterus de Bulon, Godescalcus de Iace, Iohannes de Rosinell en Lambertus de Calmont (bron: Dietrich van Gladiss, bearbeiter. Monumenta Germaniae Historica. Diplomata regvm germaniae et imperatorvm germaniae. Tomvs VI. Heinrici IV. diplomata. Pars II. Die Urkunden der Deutschen Könige und Kaiser. Sechster Band. Die Urkunden Heinrichs IV. Zweiter Teil. Verlag Hermann Böhlaus Nachfolger, Weimar, 1959; onveranderde nadruk Hahnsche Buchhandlung, Hannover, 2001, nr. 459, pag. 619-620)

10 maart 1100: Otbert, bisschop van Luik, ratificeert het oordeel van een synode gehouden te Ocquier onder voorzitterschap van aartsdiaken Hendrik, en verklaart dat de kerk van Ouffet het recht heeft op de tiende van Warzée (bron: Analectes pour servir à l'histoire ecclésiastique de la Belgique, 2ième Série, Tome Premier, Tome XVIIe de toute la collection, 1881, pag. 72; op citaat : C.-G. Roland. "Les seigneurs et comtes de Rochefort. II. Conon Comte de Montaigu (1064-1106)", Annales de la Société Archéologique de Namur, Tome 20, Namur, 1893, pag. 106)

Luik, 29 juni 1103: Keizer Hendrik IV verbiedt de belasting van het klooster Waulsort en stelt het onder bescherming van de bisschop van Luik. Getuigen zijn onder andere bisschop Olbertus van Luik, aartsbisschop Fredericus van Keulen, aartsbisschop Bruno van Trier, bisschop Burchardus van Münster, bisschop Burchardus van Utrecht, hertog Heinricus, graaf Cuono, Wilhelmus de Dolehan, Mainerus de Werde en graaf Gerardus van Wassenberg (bron: Dietrich van Gladiss, bearbeiter. Monumenta Germaniae Historica. Diplomata regvm germaniae et imperatorvm germaniae. Tomvs VI. Heinrici IV. diplomata. Pars II. Die Urkunden der Deutschen Könige und Kaiser. Sechster Band. Die Urkunden Heinrichs IV. Zweiter Teil. Verlag Hermann Böhlaus Nachfolger, Weimar, 1959; onveranderde nadruk Hahnsche Buchhandlung, Hannover, 2001, nr. 478, pag. 652-653; deze oorkonde is volgens Van Gladiss een vervalsing, maar Kupper stelt dat G. Despy in zijn boek "Les chartes de Waulsort" uit 1957 heeft aangetoond dat de oorkonde geen vervalsing is)

3 september 1104: Plechtigheid ter ere van het feest van Sint Remaclus in de Abdij van Stavelot. Aanwezigen zijn onder andere graaf Heinricus, voogd, Thiebaldus, ondervoogd, graaf Cuono en zijn zoon Lambertus, graaf Herimannus van Salm en zijn broer Otto en graaf Fridericus van Arenberg (bron: "Vetera Monumenta Imperialis Monasterii Stabulensis in Arduenna. Ex archivus ejusdem Monasterii". In: dominus Edmundus Martene en dominus Ursinus Durand. Veterum Scriptorum et Monumentorum Historicorum, Dogmaticorum, Moralium, Amplissima Collectio. Tomus II. Franciscus Montalant, Paris, 1724, 78-80, en J. Halkin en C.G. Roland. Recueil des chartes de l'abbaye de Stavelot-Malmédy, Publications de la Commission royale d'Histoire, Bruxelles, 1909, Tome 1, nr. 135, pag. 274-277; online beschikbaar via documentacatholicaomnia.eu en Diplomata Belgica)

1105: Aanstelling van Walter als voogd van Andenne en vaststelling van zijn rechten te Sassey. Als getuigen treden op onder andere Theoderici hertog van Metz, hertog Godefridus, graaf Albertus van Namen, graaf Gerardus, graaf Sigebertus, graaf Henricus, graaf Arnulphus van Chiny, graaf Cono, voogd Walterus, Albertus de Brieio en zijn broer Iohannes, Adelo, Fridericus de Duno, de twee broers Godefridus en Cono en Anselmus (bron: A.M. Bonenfant-Feytmans. "Le plus ancien acte de l'abbaye d' Andenne", in: Etudes d'histoire dédiées à la mémoire d'Henri Pirenne par ses anciens élèves, Bruxelles, 1937, pag.32-33; online beschikbaar via Diplomata Belgica)

31 maart 1125: Keizer Hendrik V bevestigt de schenking gemaakt aan de abdij van Sint Jacobus te Luik door Tiebaldus de Foron en door zijn echtgenote Guda, van zekere goederen te Blistin en Ailleurs. Deze akte geeft de getuigen van de schenking door Tiebaldus de Foron en Guda, graaf Cuno, Wilelmus voogd van Luik, Renerus voogd van Sint Lambertus, Gillebertus de Granes, Wolbertus de Woldeymont, Godefridus de Sineys, Bovo de Wahart, zijn zoon Engus, Bovo de Braz, Walterus de Bullione, Balduinus zoon van Ebulonis de Forselis en Gilebertus de Hareet (bron: Simon Pierre Ernst, Histoire du Limbourg. Suivie de celle des comtés de Daelhem et de Fauquemont, des annales de l'abbaye de Rolduc, P.J. Collardin, Liège, 1837, nr. XXXVIII, pag. 125-127; online beschikbaar via archive.org)

(1064): Gozilo comes Bohaniae apud Marlidam dominicalem domum violenter fregit, et ad placitum suum abusus ibidem quibusque inventis, res etiam ecclesiasticae familiae satellitibus suis diripiendas permisit, et cum coenatus protraheret noctem iocis et sermonibus, repente percussus ultione divina in ipso crepusculo finivit vitam. Uxor eius Ermentrudis de commisso domini sui humilem satisfactionem beato Huberto et abbati per optimates suos mandavit, et ut ibidem corpus eius sepeliretur expetiit. Abbas ex consilio fratrum et satisfactioni et petitioni annuit, sepultoque Gozilone, Summeium allodium cum matre ecclesia et familia ab Ermentrude uxore illius, et Conone, Rodulfo, Widone et Henrico filiis eius, legaliter ecclesiae donatum acquisivit.
(1093-1095): Nam cum illo suo more quasi ad fratres suos sustentandos quaestionarias circuitiones ageret, ad Idam uxorem Cononis comitis venit, eamque apid Montemacutum infirmatam invenit; quae praesentiens sibi mortem proximam, dum se apud beatum Hubertum quo pater eius Lambertus iacet deliberaret sepeliendam, Berengerus omnino obstitit ne id fieret, utque ob subiectionem Otberti excommunicatos vitaret, Stabulensem sepulturam potius expeteret, ibidemque elemosinam suam constitueret. Causentibus filiis eius Lamberto et Henrico, quomodo Stabulensis ecclesia videretur absolutior, cum ex dono subiaceret regi Henrico et ex cura pastorali Otberto, Berengeri sententia praevaluit, et reditum trium librarum quotannis ecclesiae beati Huberti in perpetuum abstulit...
Cumque ipsis quoque princibus iratus opponeret, in hoc eos fidelitati sanctae Mariae sanctique Lamberti deesse, quod sic impune paterentur deprimi auctoritatem Leodensis episcopi; nullo modo id illos decere pati si qua illis subesset cura sua honoris: commotus ad haec dux ipse in primis, Albertus quoque comes Namucensis en Henricus Durboiensis, Cono etiam comes Montisacuti, sed et praefatus Arnulfus Chisniacensis, ut erat diversus a se, cum genero suo Dudone Cunensi, responderunt, se quidem fideles sanctae Mariae sanctique Lamberti esse, sed in hoc nimis patienter hanc ipsam fidelitatem hactenus dissimulasse, quia dissensionis huius causas neglexissent inquisisse.
(aug. 1096): Otbertus gloriae suae studens, praedictum castrum oblatum sibi concupivit, et mille quingentas argenti libras pro eo duci condixit... Ex huius rapinae reliquiis praedictus Lambertus unam marcam et dimidiam auri collegit, et allodium de Felc, quod est prope Nasaniam, a Conone comite qui cum duce Iherosolimam ibat, praesente Bovone de Wahart et Walterio de Ambluz donatum ecclesiae comparavit.
(1106): Pridie autem Kalendas Maii apud castrum Dolhem sub Leodio obiit comes Cono, indique se petente relatus, sepultus est Dinanum sibi diu loco electo. Qui ante decem annos iturus Hierosolymam cum duce Godefridi, decem uncias nostri auri, ut praedictum est, super Felc acceperat. Ipsum quoque allodium totum cum partibus etiam quae erant sui iuris in Monz et Heis et Cella omnemque familiam ad eam pertinentem ubicumque esset, per manus fideiussorum, scilicet Bovonis W. et Bosonis, post decessum suum beato Huberto perpetuo habendum facta inde legali carta destinaverat. Post cuius exequias Lambertus filius eius eamdem elemosinam a fideiussoribus sibi redditam legaliter ecclesiae tradidit, praesentibus ibidem fratre suo H. archidiciano patruoque suo H. ecclesiae beati Lamberti decano, multorumque optimatum suorum legitimae donationis testimonio.
(bron: L.C. Bethmann en W. Wattenbach Ph.DD., ed. "Chronicon Sancti Huberti Andaginensis", 76 (90) en 98 (129). Georgius Heinricus Pertz, herausgeber. Monumenta Germaniae Historica inde inde ab anno Christii qvingentesimo vsqve ad annvm millesimvm et qvingentesimvm. Avspiciis societas aperiendis fontibvs rervm Germanicarvm medii aevi Scriptorvm Tomvs VIII. Hannover, 1848, pag. 609 en 630)

1071: After BishopThéoduin had held a council of his faithful nobles and ministers at the church of Liège, he gladly received such great and distinguished allods with so much honour, and he conceded them to Richilde and her son Baldwin to hold as Liège fiefs, and accordingly offered them a very great amount of money. This pur-chase gravely afflicted all the conventual churches of the bishopric of Liège regarding their treasures of gold and silver. All these matters were arranged at Fosse under the testimony of Duke Godfrey of Bouillon, Count Albert of Namur, the count of Louvain, the count of Chiny, the count of Montaigu in Ardennes ("comes Montisacuti in Ardenna", and a great many other faithful men of noble and servile condition of the church of Liège....
Countess Richilde and her son Baldwin, with the money they had received from the bishop of Liège, assembled whatever helpers and mercenaries of many regions they could against the abovementioned Robert [the Frisian], who held Flanders by violence. Specifically, they assembled the duke of Bouillon, the count of Namur, the count of Louvain, the count of Montaigu ("comes Montis-acuti"), the count of Chiny, the count of Hautmont, and many others, and she made what attacks she could against Robert, but accomplished nothing. Then Robert, who sustained continuous assaults from the men from Hainaut, thought little of their strength and, when he had assembled an army, came into the county of Hainaut. The men of Hainaut attacked him in Brabant, in the territory which is called Broqueroie, near Mons. The men of Hainaut, who were few in number, fought in a serious battle for their defence and many fell, and therefore that place was called the Forest of Mortality [Mortalis Haya]. Robert was inflamed with wickedness and arrogance, and crossed the river Haine near Mons, at the place which is called Dura. And so he went through Hainaut in his strength, passing by Valenciennes, and proposed to remain in the place which is called Wavrechain on the river Scheldt. When he had made a fortification with ditches and wood there, he departed into Flanders leaving 300 knights behind there, who attacked Hainaut continually in their strength. Young Baldwin [II], the count of Hainaut, seeking support against his enemies because of such a great disaster, went to the regions of the people of the Low Regions, and with the help of his lord the bishop of Liège and some of his men, he came unexpectedly with a multitude of knights upon such of his aforesaid enemies who remained at Wavrechain, and he killed some of them, and held others as captives, so that almost no one escaped, and their fortification was thrown down.
(bron: Gislebertus de Mons. Chronicon Hanoniense. Georgius Heinricus Pertz, herausgeber. Monumenta Germaniae Historica inde inde ab anno Christii qvingentesimo vsqve ad annvm millesimvm et qvingentesimvm. Avspiciis societas aperiendis fontibvs rervm Germanicarvm medii aevi Scriptorvm Tomvs XXI. Impensis Bibliopolii Avlici Hahniani, Hannover, 1869, pag. 493, online beschikbaar via Monumenta Germaniae Historica; Engelse vertaling Laura Napran, transl. Gilbert of Mons. Chronicle of Hainaut. The Boydell Press, Woodbridge, 2005, pag. 9-11)

1071: De pace vero Leodiensi, ad quam respondere tenentur multi Barones & homines eorum, neque Comes, neque homines fui tenentur respondere. In augmentum autem fui feudi, Comitissa accepit Abbatiam & advocatiam Montensem, ac justitiam Comitatus Haynoniensis, quam tenuerat ab Imperatore: Episcopus enim tantum fecerat erga Imperatorem, quod dederat eidem hujusmodi feuda. Et Episcopus tantam pecuniam dedit Comitissae & filio suo, quod ecclesiae multum erant gravatae. Istis conventionibus praesentes apud Fossis interfuerunt, Godefridus de Bullonio, Comes Albertus de Namurco, Comes Lambertus de Lovanio, Comes de Chineio, Comes de Monte-acuto in Ardenna, & plures alii, secundum quod haec omnia in cronicis continentur monasterii Lobiensis. (bron: Iacobus baron le Roy, ed. Chronicon Balduini Avennensis Toparchae Bellimontis sive Historia Genealogica Comitum Hannoniae Aliorumque Principum Ante annos quadringentos conscripta. Franciscus Muller, Antwerpen, 1693 / Simon T'Serstevens, Bruxelles, 1716. Caput VII, pag. 11, online beschikbaar via Google Books)

1081: Henricus episcopus sepet convenit et multum institit, ut principes terre legem aliquam ponerent, cuius timore cessarent tot illa homicidia et cetera mala intolerabilia in suo episcopato. Quapropter cum magno labore et magnis sumptibus pacem instituit teneri infra episcopatum; hoc etiam assensu domini pape... et imperatoris Henrici et horum principum, quorum ista sunt nomina: Comes Namucensis et frater eius Henricus, comes palatinus, marchio, comes Conrardus, comes Henricus de Lemburch, comes Henricus de Lache, comes Arnulphus de Los, comes de Loviniaco, comes Cono de Horri. Horum omnium peticione, consilio et voluntate decretum est, ut a primo die adventus Domini usque ad exactum diem epyphanie et ab intrante septuagesima usque ad octavas pentecostes infra episcopatum Leodiensem nemo arma ferat, nisi forte inde exiens ad alio loca aut inde domum revertens (bron: Aegidii Aureaevallensis. Gesta episcoporum Leodiensium. Georgius Heinricus Pertz, herausgeber. Monumenta Germaniae Historica inde inde ab anno Christii qvingentesimo vsqve ad annvm millesimvm et qvingentesimvm. Avspiciis societas aperiendis fontibvs rervm Germanicarvm medii aevi Scriptorvm Tomvs XXV. Impensis Bibliopolii Hahniani, Hannover, 1880, Liber III, c. 13, pag. 90, online beschikbaar via Monumenta Germaniae Historica - volgens S.P. Ernst (S.P. Ernst. Histoire du Limbourg suivie de celle des comtés de Daelhem et de Fauquemont, des annales de l'abbaye de Rolduc. Librairie de P.J. Collardin, Liège, 1838, pag. 9-11; online beschikbaar via Bayerische Staatsbibliothek digital) kan comes Cono de Horri niemand anders zijn dan graaf Cono van Montaigu)

(1096): Eminebant in hoc Dei hostico: dux Lotharingie Godefridus - Boemundus dux Apulie. Cum istis fuerunt: Rotroldus comes de Pertico, Arpinus comes Bituricensis, Ludovicus comes de Montione, Renardus comes Tullensis, Cono comes de Monteacuto Leodiensis dyocesis et Lambertus filius suus, Comes de Claromonte, Hescellinus comes de Grandi Prato, frater comitis Rogeri Porcensis, Anselmus de Ribodi Monte et Thomas de Coci et plures alii.
(1101): Cono comes de Monte acuto et Lambertus filius suus comes de Claromonte Leodiensis dyocesis cum aliis etiam viris nobilibus et ignobilibus, inter quos et venerabilis sacerdos Petrus heremita, primus huius sancte peregrinationis predicator et auctor, cum quibusdam burgensibus Hoyensibus revertuntur ad natale solum: et cum essent in mari in maximo periculo positi, ita ut de sua salute fere omnes desperarent, communi assensu parique voto ac humili prece voverunt Deo, et Domino nostro Iesu Christo construere ecclesiam, si eos Dominus liberaverit ab hiis imnimentibus periculis.
(1105): Comes Cono de Monteacuto pater comitis Lamberti, qui prospere reversus fuerat a partibus transmarinis sepelitur apud sanctum Hubertum, cuius uxor fuit Ida filia senioris Lamberti.
(bron: Paulus Scheffer-Boichorst, ed. Chronica Albrici Monachi Trium Fontium, a Monachio Novi Monasterii Hoiensis interpolata. Monumenta Germaniae Historica inde inde ab anno Christii qvingentesimo vsqve ad annvm millesimvm et qvingentesimvm. Avspiciis societas aperiendis fontibvs rervm Germanicarvm medii aevi Scriptorvm Tomvs XXIII. Impensis Bibliopolii Avlici Hahniani, Hannover, 1874, online beschikbaar via Monumenta Germaniae Historica, pag. 804, 815 en 816)

(1097) Post paululum dehinc rursus Imperatoris legatio Duci affluit, quae eum ammonuit ad eum ingredi, et ejus verba intelligere. Quod Dux omnino renuit, praemonitus ab advenis civibus de versutia illius; sed viros egregios illi direxit nuncios: Cononem comitem de Monte Acuto, Baldewinum de Burch, Godefridum de Ascha, ut excusarent eum, et in hoc modo loquerentur: "Godefridus Dux Imperatori magnifico fidem et obsequium. Libenter et optato ad te ingrederer, honores et divitas domus tuae considerarem; sed terruerunt me plurima mala quae auribus meis de te innotuerunt; nescio tamen si vel invidia aut odio tui haec adinventa et vulgata sint".
Rex siquidem haec audiens, plurimum se de omnibus excusavit, dicens numquam oportere Ducem, vel aliquem de societate, quicquam fallaciae de eo timere aut credere; sed cum suosque quasi filium et amicos servare et honorare.
Regressi autem nuncii Ducis, omnia quae bene promissa et fideliter ex ore Imperatoris audierant in bonum retulerunt. Verum Dux adhuc minime mellifluis illius promissis credens, prorsus colloquium ejus refutavit. Et sic inter haec nuncia hinc et hinc quindecim dies evoluti sunt.
(1097): Crastina vero luce exorta, Cononem comitem de Monte Acuto, Baldewinum de Burch, viros nobilissimos, ac in omni verbo disertissimos, jussit coram adesse, quos ad suscipiendum obsidem Imperatoris filium direxit confidenter: quod actum est.
(1097): Episcopus vero de Podio Naimerus nomine, omni bonitate praeclarus, non modica manu et apparatu circa urbem vires augebat. Stephanus, comes Blesensis, caput et primus consilio in omni exercitu, in multitudine gravi uno in latere urbem tuebatur. Hugo, cognomine Magnus, frater regis Franciae, illustrissimus socius, ad custodiendam urbem suo sedit in ordine. Robertus, filius Gerardi, Reimundus cognomime Pellez, Don Walkerus de Capis castello, Milo quoque a cognomime Louez, miles famosissimus, ..., Gozelo et frater ejus Lambertus, bello peritissimi, cum patre suo Conone de Monte Acuto, viro illustrissimo, juxta praedictorum papiliones tabernacula collocaverunt. Petrus de Staneis, Reinardus de Tul civitate, Walterus de Verveis, Arnulfus de Tyr, Johannes de Namecca, Herebrandus de Buillon: hi ad omne bellorum incendium indefessi urbem cingebant
(1097) Egressi a montanis et regione Maresc praedicti principes, cum universis sequacibus legionibus, compererunt a quibusdam Christianis Syriae, sibi occurrentibus, civitatem Arthesiam nonc procul abesse, rebus vitae necessariis locupletem, sed a Turcis possessam. Hoc comperto, Robertus de Flandria, assumptis secum viris bello cautissimis, Rotgero de Roseit, Gozelone filio comitis Cononis de Monte Acuto, cum mille loricatis, ab exercitu exsurgens, ad Arthesiam descendit, civitatem muro, moenibus et praesidio turrito munitissimam, in qua Turci manentes Armenicos Christianis servili jugo subegerant. Urbi itaque et ejus moenibus appropinquantes in signis erectis cujusque coloris pulcherrimis, in galeis aeneis auro lucidissimis, totam regionem fama sui adventus concusserunt. Turci in moenibus Arthesiae et praesidio, causa defensionis et repugnationis, repentina hac Gallorum congressione perterriti, astiterunt, portas civitatis obice et seris munientes...
(1097): Adhuc ad ipsam Antiocham obsidendam, quam tam spaciosam audistis, ad portam quae dicitur Waiferii a modernis, quae insuperabilis est, ipse antistes assidet, sociato sibi comite Reimundo, cum quibus Provinciales, Wascones et omnes sequaces corum consederunt... Cuno etiam de Monte Acuto, Heinricus de Ascha, fraterque ejus Godefridus, milites semper hostibus intestissimi, ad prohibendum Turcis introitum et egressum pariter consederunt. His frequentior et major incumbebat labor.
(1098): Hoc prospero eventu laetati, Robertus Flandriensis. similiter Robertus Nortmannorum comes, Cono de Monte Acuto et comes Reimundus, ac omnis nobilitas Galliae quae aderat hostes impetu equorum perrumpunt, multos hasta et gladia perforant, in pontem moribundos cogunt contendere: ubi, prae nimia pressura quam pons sustinere nequiverat, quia tot fugientibus sua latitudo non suffecerat, plurimi e ponte cadentes undis Fernae involvuntur.
(1098) Episcopus vero Podiensis suam per se aciem versus montana dirigebat, erecta in medio illius cuneo Lancca quam repererant, in manibus cujusdam clerica statuta. Petrus de Stadeneis, Reinardus de Tul frater ejus, Warnerus de Greis, Henricus de Ascha, Reinardus de Hamersbach, Walterus de Domedart suum cuneum regere disponuntur versus haec montana et viam quae ducit ad portum maris Simeonis praedicti quondam heremitae. Comes de Oringis Reiboldus, Ludowicus de Monzuns, Lambertus filius Cononis de Monte Acuto, uni aciei ordini praesse destinantur.
(1099): Comes Reinboldus, de civitate Oringis, Ludewicus de Monzun, Cono de Monte Acuto, filiusque ejus Lambertus, Gastus de Bederz, Gerardus de Rosselon, Baldewinus de Burg, Thomas de Feria castro, undique in circuito urbis consederunt.
(1099): Godefridus dux, Reimundus comes, Eustachius, Tancredus, Cono de Monte Acuto et filius ejus Lambertus, videntes quia Gentilium exercitus et eorum virtus deficiens cedebat, in impetu equorum et vehementi concursu ac clamore pedestris vulgi mediis advolant hostibus; et nimia caede inter cos saevientes, auxilii plurimum contulere fratribus.
(1099): Robertus vero Flandriensis, Robertus pariter Normannorum princeps, Gastus de Bederz, Cono de Monte Acuto et ceteri compares, post aliquot dies, reditum navigio constituerunt ad terram nativitatis, suae.
(bron: Alberti Aquensis Historia Hierosolymitana, Liber Secundus, Capitulum XI, XV, XXIII, XXVIII, XXIX en XXXIX en LXV, Liber Quartus Capitulum XLVII, Liber Quintus, Caput XLVI, en Liber VI, Caput XLVII en LX, in Recueil des Historiens des Croisades. Historiens Occidentaux. Tome Quatrième. Publiés par les soins de l'Académie des Inscriptions et Belles-Lettres. Imprimerie Nationale, Paris, 1879, pag. 306-307, 310, 316-317, 358-359, 366, 385-386, 422, 464-465, 495 en 504, online beschikbaar via documentacatholicaomnia.eu)

(1097): Is, a Godefrido duce comiteque Eustachio Eustachides tertius, de senis millibus complures sibi defloraverat comites: in quibus Cono comes plurimum sonabat...
Igitur Balduinus comes, suburbana metatus castra, pacem ab urbe petit, victualia non jam raptim, neque gratis, sed ratione et pretio orat impetrari: noverat enim viri mentem recenti adhuc injuria turbidam, seque, qui cam intulerat, odiosum. Porro urbs munita turribus, populi capax, armis referta, nulla sui infirmitate spem raptoris firmabat; praeterea comitem illum Cononem, quem superior pagina celebravit, valitudo gravis lecto affixerat: quare nec relicto eo procedere volebat, nec eum abducere, nec ibi manere Balduinus commercio poterat negato: tot curae anxium de postulanda pace eum stimulabant (bron: Radulfus Cadomensi. Gesta Tancredi in expeditione Hierosolymitana, Capitulum XXXVII en Capitulum XLII, in Recueil des Historiens des Croisades. Historiens Occidentaux. Tome Troisième. Publiés par les soins de l'Académie Impériale des Inscriptions et Belles-Lettres. Imprimerie Impériale, Paris, 1866, pag. 632, 637, online beschikbaar via documentacatholicaomnia.eu)

Convenientes igitur summo diluculo, quarto Kalendas Julii, ante portam quae ponti erat contermina, invocato de supernis auxilio, omnes unanimiter quasi vir unus, antequam urbem egrediantur, acies instruunt, et instructis ordinem et modum assignant procedendi. In prima igitur acie, Hugonem Magnum, fratrem regis Franciae, ducem et signiferum constituunt; eique associant virum per omnia commendabilem, Anselmum de Riburgismonte, cum aliis nobilibus, quorum numerum vel nomina non tenemus. Secundae praeficiunt dominum Robertum, qui cognominatus est Friso, Flandrensium comitem, cum his qui ab initio castra ejus secuti fuerant. Tertiam jussus est regere dominus Robertus Northmannorum dux, et cum eo vir inclytus, nepos ejus, comes Stephanus de Albamarla, et alii nobiles, qui in ejus advenerant comitatu. Episcopus vero Podiensis, dominus Ademarus, bonae memoriae, cum sua et domini comitis Tolosani familia, quartae praeerat aciei, Dominicam secum deferens lanceam. Quintam vero Rainardus comes Tullensis, et Petrus de Stadeneis frater ejus, comes Garnerus de Gres, Henricus de Ascha, Rainardus de Ammerbac, Galterus de Dommedart, suo moderamine jussi sunt producere. Sextae vero aciei de mandato principum praefecti sunt Rainboldus comes de Oringis, Ludovicus de Moncons, Lambertus filius Cononis de Monteacuto. Septimam vero vir illustris et magnificus, dominus Lotharingiae dux Godefridus, cum viro venerabili fratre suo Eustachio, juxta militarem disciplinam disposuit. Octavae vero vir in armis strenuus et morum generositate insignis praefuit Tancredus. Nonam vero comes Hugo de Sancto Paulo, et Engelrandus filius ejus, Thomas de Feria, Balduinus de Burgo, Robertus filius Gerardi, Rainoldus Belvacensis, Galo de Calvomonte disponere jussi sunt. Decimae vero praefecti sunt Rotoldus comes Percensis, Everardus de Pusato, Drogo de Monci, Radulphus filius Godefridi, Conanus Brito. Undecimam vero Iscardus comes Diensis, Raimundus Piletus, Gastus Biterensis, Girardus de Roseilon, Wilhelmus de Montepessulano, Guilhermus Amaneus tenuerunt. In duodecima vero, quae erat novissima, et caeteris refertior, constitutus est princeps et moderator dominus Boamundus, jussusque est postremus incedere, ut praecedentibus tempore opportuno ministraret subsidium, et pro his qui amplius ab hostibus gravarentur providam gereret sollicitudinem. Dominum autem comitem Tolosanum aegritudine valida periculosius laborantem, in urbe dimiserunt ad ejus custodiam, contra illos qui adhuc rebelles erant in praesidio, ne forte in absentia principum, urbem arbitrantes vacuam, super debiles et infirmos, senes et mulierculas, et imbellem populum, irruptiones molirentur. Fecerunt autem et in colle qui praesidio erat oppositus, murum ex calce et lapidibus cum propugnaculis solidissimum, super quem machinas jaculatorias constituerunt nonnullas, ducentos viros, robustos viribus et armis instructos, qui locum tuerentur, ibi relinquentes (bron: Willem van Tyrus. Historia rerum in partibus transmarinis gestarum, Liber Sextus, Caput XVII, online beschikbaar op intratext.com)

Es-vous par la bataille Lambert fil Quenon,
Devant, emmi le pis, feri un Esclavon
Parmi le gros del cuer li a mis le tronçon
Tant com hanste li dure l'abat mort el sablon.
"Saint Sepulcre!" escria, "ferés avant baron!
Mar s'en iront gabant li Sarrasin felon"


Qu'il vienent à Artais encontre un ajorné'.
Quant Franc les ont véus en la tour sont monté.
Forment les escarnissent, après els ont hué.
Et François se défendent com vassal aduré ;
Moult ont des Turs ocis et gités el fossé.
Jusques à cent des nos iscent de la cité,
Onques n'en sorent mot li gloton deffaé ;
Desci que nos François ont Montjoie escrié.
Quant Solimans les voit, a son cheval hurté,
Et va ferir Gosson en son escu listé,
Que la lance trenchant li mist ens el costé :
Tant com lance li dure l'a del cheval versé,
La teste li copa de son branc acéré.
Quant François l'ont véu, moult furent tormenlé ;
Par moult grant mautalent on les Paiens hurté,
Moult laidement les mainent et de lonc et de lé, Quatre mil et set cens en i ont afolé.

Et quant voit Solimans que sont desbareté.
Son escu geta jus, de fuir apensé.
Et li cuivert Paien sont après arouté,
Desci au Pont de fer ne s'i sont aresté;
Et François retornèrent, s'ont grant dolor mené
Por Gosson le vallet qu'on a mort aporté.

Or est en la cité li barnages proisiés.
Li pères dant Gosson ne s'est mie a.targiés
Son fil a demandé : il li est enseigniés.
Qui là véist li pères qui ert agenoiliiés,
Son mort enfant baisier et devant et derriers,
Entre ses bras le prent, puis est sor lui cochiés :
— « Hé ! biax fis, sire Gosse, com dolent me laissiés !
« Jou irai au sépulcre, n'i porterés vos pies !
« Or est de mes enfans li contes abaissiés. »
— « Sire,» ce dist Lambers, « por Dieu , car vos taisiés.
« Sé mes frères est mors, ce n'est duel et pitiés,
« L'arme est en paradis, de verte le sachiés *. »
Et li pères se pasme qui moult fu courechiés.
Li duels que il demaine est tant fors et tant griés,
Mil chevalier en plorent por ses grans amistiés.
(bron: Paulin Paris, publ. La Chanson d'Antioch composée et commencement du XIIe siècle par le pelerin Richard renouvelée sous le règne de Philippe Auguste par Graindor de Douat. Tome I. Romans des douzes pairs de France No. XI. J. Techener, Libraire, Paris, 1848, Chant deuxième, XXII, pag. 118 en Chant troisième, XXV en XXVI, pag. 188-190)

(28 juni 1098): In secunda Godefridus dux, dum Eustachio fratre suo, et Conone comite, et xxx millibus fortissimorum bellatorum de Alemannis et Lotharingis et Boloniensibus.
(15 juli 1099): Tunc Cono, comes Alemannus, vir probus et sapiens consiliarius, qui sororem Godefridi ducis conjugem habebat, dixit: Domine dix, audis quid ista dicunt? intelligisne cur ista faciunt? feminarum gratulabunda cohortatio virorum est formidolosa defectio. En prae labore et metu viri labascunt, et feminae insurgunt, et quasi ad opprobium et dedecus bellatorum contra nos garriunt, et nos frivolis allegationibus terrere ac decipere non impune ausae sunt. Nos e contra virili, immo caelesti utamur consilio. In nomine Domini nostri Jesu Christi, qui sexta feria hic passus est, arma sumamus, et insigniter urbem aggredientes, Domini sepulcrum hodie adeamus. Hora ergo tertia, qua Dominum ante Pilatum Judaei damnaverunt, Christiani, memores illius passionis, tanquam recentes vires resumpserunt, et quadam nova eis superveniente audacia, quasi nihil antea laborassent, praeliari coeperunt.
(bron: Augustus le Prevost, ed. Orderici Vitalis. Angligenae, Coenobii Uticensis Monachi, Historiae Ecclesiasticae Libri Tredecim. Tomus Tertius. Julius Renouard et socios, Paris, 1845, Liber Nonus, pag. 555 en 605-606)