Leonard Reynders

Is your surname Reynders?

Research the Reynders family

Leonard Reynders's Geni Profile

Share your family tree and photos with the people you know and love

  • Build your family tree online
  • Share photos and videos
  • Smart Matching™ technology
  • Free!

Share

About Leonard Reynders

Leonhard

Geslacht: m

verklaring:

Het eerste lid van deze Germ. naam is vermoedelijk aangepast aan het woord leeuw, Lat. leo, aangezien de Germ. dit dier oorspr. niet kenden (inde naam van de leeuw kon het symbool van de evangelist Marcus zitten). Ook is het mogelijk dat het oorspr. een Germ. stam lewa-, liwi- is met debetekenis

genadig´. Die stam kan later met leeuw´ gassocieerd zijn op grond van de vorm. De naam ging dus betekenen:

- sterk als een leeuw´ (-hard betekent sterk´, zie -hard-). Reeds vroeg, in de 5e eeuw, komt deze Germ. naam voor.

- Men vindt hem ook al bij Gregorius van Tours, de Frank. geschiedschrijver uit de 6e eeuw (heilige). De populaire heilige Leonardus was in de6e eeuw kluizenaar in Noblac bij Limoges. Zijn vermoedelijke sterfjaaris 539; kerk. feestdag: 6 nov. Zijn verering verbreidde zich in het begin van de 12e eeuw over W.-Europa. Bij ons komt de naam inde 14e eeuw op, maar pas in de 16e eeuw wordt hij werkelijk populair. Vr. vormen sinds de 2e helft van de 16e eeuw.

Familie "Reynders", een bakkerstraditie in Paal

De Paalse bakkersgeschiedenis werd in het verleden overheerst door de familie Reynders. Op zeker ogenblik waren er vijf warme bakkers"Reynders" in Paal. Stilaan kwam er een verschuiving en doken er andere namen op zoals Guedens, Vanroy, Jacobs, Swinnen.

Maar het verleden hangt nog vast aan de reputatie en... hopelijk zullen de kinderen de bloeiende handel, die hun ouders en grootouders hebben opgebouwd overnemen. Anders zullen er binnen afzienbare tijd nog meer namen opduiken.

Ontstaan

In het begin van de eeuw bakten de boeren en de welstellende mensen allen hun eigen brood en vlaai in een stenen oven achter in de tuin. De ovens werden gestookt met ´mutsers´ dennenhout. Ze stonden ver van de woning want wegens de wegspringende gensters dreigde er steeds brandgevaar.

Na W.O.I leverde bakker Van Perck uit Diest brood en vlaai bij Filke Verboven, een kruidenier uit de Heldenlaan (nu Gravendaal en A.S.L.K.). ´Clettke van de Biscop´, wonende op de hoek van de Tessenderlosesteenweg (nu boetiek Rosan), bakte brood voor de mensen van het dorp. Ze was afkomstig ui Veerle en had achter in de tuin een bakoven staan.

War Reynders.

Hij was de grondlegger van de bakkersfamilie Reynders. Rond 1925 begon hij samen met zijn vrouw, Marieke van de Roos (Vandergraesen) een bakkerij op de Paalse Steenweg (nu Guedens). Het was er zeer primitief, maar toch werkte hij zich op en breidde vlug uit. Alles werd met de hand bereid. De bedeling aan huis gebeurde met paard en kar. Voor de leveringen van huis tot huis had hij vijf mensen in dienst: Eugeen Jans, Jef Vanderheyden, Geen Quintens, Frans Verboven en Raymond Claes.

Altijd was er een paard en kar in reserve om dadelijk in te springen in geval van pech of tegenslag. Dan had hij nog enkele helpers in de bakkerij. Het bakken van het brood gebeurde altijd ´s nachts. Met twee ovens werden 3.500 broden per nacht gebakken. Het brood kostte toen 1,80 fr. en de vlaai 5 fr. Het dagloon bedroeg 10 fr.

Alle bakkers van toen kregen daar hun opleiding en vorming: zoon Jozef, broer Leonard Reynders en verder diens zonen Theofiel en Rene, schoonbroer Leon Bormans, Cel Vanroy e.a.

In 1958 stopte hij en gaf de handel over aan Jozef Guedens van Meldert. Nadien nam dochter Maria de zaak over en baat ze heden nog uit. Zoon Jef begon op de Koolmijnlaan in Beringen-Mijn een bakkerij die later overgenomen werd door zijn zoon Fonny. Tot op heden is dit een bloeiende bakkerszaak.

Leonard Reynders °13.10.1875 en +13.06.1951 Amelia V andeweyer °15.11.1871 en +17.06.1958

Boer Reynders (Leonard) en War Reynders waren zonen van Casimir Reynders en Blanca Inthof Vader was ´botermarchand´ en gemeenteraadslid.

In de beginperiode runden ze op de Varkensmarkt een kruidenierswinkel (op de plaats van de huidige winkel). Boer Reynders was geen boer. Wel haalde hij zijn boter en eieren rond bij de boeren (wellicht vandaar zijn naam "boer"). Hij had een ´tournée´ in Brussel. De boter werd in het boterhuis in pakjes van 1 kg. gesneden en in boterpapier gewikkeld. In Brussel had hij verschillende winkels en verkooppunten waar hij zijn zuivelproducten leverde. Hij was tevens een vaste klant op de vroegmarkt, kende Brussel op zijn duimpje en sprak vlot Frans. .

Al gauw kocht hij een kleine bestelwagen. Alles ging nu wat vlugger. In 1910 bouwde hij het hoog huis, dat er nu nog staat. Dat was de tijd dat de meeste hoge huizen in het dorp gebouwd werden, o.a; Filleke Verboven, Emma Houben, oude Post (op de hoek van de Pater Carremansstraat). Toen er nog geen schoolplicht bestond woonde daar meester en koster Hovdonckx.

Onder WO II lag alle handel stil. Leonard bleef niet bij de pakken zitten en smokkelde boter naar de hoofdstad. Zij zonen Fil en War namen deze tournee later over.

Ondertussen ging Amelie ´s vrijdags en ´s zaterdags helpen in de bakkerij van broer War. Ze bracht dan crémevlaai mee voor de kinderen.

Begin 1928 kreeg boer Reynders ook de bakkerskriebels in het bloed, hij ging in de leer bij broer War. In 1930 ging hij op eigen benen staan en bouwde achter het huis op de Varkensmarkt een oven. Alles werd met de hand en zeer primitief uitgevoerd.

eerste oven geleverd voor de prijs van 29.382,50 fr. Ook zijn eerste kneedmachine en kloppemengelaar werd geleverd voor de prijs van 8.942,50 fr. Toen ging het vooruit. Zijn bakkerswinkel trok goed. De drie bakkersrondes die hij uit de grond stampte werden vlug een succes. Nar van de Reutel´ (Coenen) had Hulst en Looi, Desiré Mantels: Meldert, Hees en Schaffen, Geen Jans deed heel Paal. Zoon Henri had Beringen-Mijn, met de auto. Later kwam Jef Vanwetswinkel erbij en ook Jef Raymakers, Nar Zeeuwts en Raymond Claes.

De bloem werd geleverd per vrachtwagen door de bloemmolens van Leuven en Antwerpen. In juten zakken van 50 kg. Ze moesten op de rug gedragen worden van de vrachtwagen naar de bloemzolder, telkens een vracht van 15 ton. Een hele karwei! Elke dag opnieuw moesten de nodige zakken van de zolder gebaald worden.

Er werd enkel wit, zwart en grijs brood gebakken.

De taarten bestonden enkel uit "spijsvlaai": abrikozen, appel, créme, krieken en pruimen. De krieken werden zelf ingemaakt in potten van 2 kg. Heel de buurt werd dan opgetrommeld om te helpen. De steentjes werden met een haarspeld uit de krieken gehaald, in potten gedaan en gesteriliseerd. Dit alles moest in zo kort mogelijke tijd gebeuren. Boer Reynders had zelf een paar boomgaarden en had handige plukkers in dienst.

De oven werd gestookt met briketten. Per 25 ton werden die per spoor gebracht tot op de "wissel". De briketten werden per 25 kg. overgeladen op karren en werden opgestapeld achter de oven op de kolenstapel.

Leonard en Amelie hebben niet alleen hard gewerkt aan de bakkerij maar ook aan het nageslacht. Ze kregen maar liefst 16 kinderen waarvan er 13 in leven bleven, 8 jongens en 5 meisjes. De kinderen werden dan ook stelselmatig ingeschakeld in de winkel, de bakkerij en de toumée.

Zoon Maurice ging naar het college te Beringen, maar omdat de goesting ontbrak bleef hij op 15-jarige leeftijd al thuis. Goed, zei vader, dan maar de bakkerij in! Maurice ging in de leer bij schoonbroer Leon Bormans op de Diestsesteenweg. Eens de knepen van het vak onder de knie mocht hij thuis beginnen. Boer Reynders was een zachtaardig man. Hij was gekend om zijn goed en gul hart en was ook nog bijzonder actief in verschillende verenigingen. Hij was voorzitter van de harmonie "Hoop in de Toekomst".

Werken kon hij ook! Hij stond steeds als eerste man op en de eerste taak was de oven aansteken. In het begin met ´mutsers´ (iedere bakker had toen een grote houtmijt achter het huis staan), later met briketten en tenslotte mazout. Wanneer de oven op volle toeren draaide, begon hij de paarden te verzorgen. Dan trok hij naar boven om zijn zonen op te roepen en begon het echte werk.

Hij had een zeer fijne smaakzin. Hij proefde het deeg nadat het gekneed werd. Zijn specialiteit was de juiste verhouding van zout en ingrediënten. Hij had ook een goed ontwikkelde reukzin. Na het bakken ging hij het eten van de paarden verzorgen, voor onderweg (zwart brood en haver). Om 8 uur mochten de gasten de ´tournée op. Rond 10 uur ging hij even slapen en dan begon het werk weer opnieuw.

Als ´s avonds de gasten van hun ronde terugkwamen, controleerde hij de paarden. Hadden ze niet te hard moeten lopen tijdens hun ronde of waren ze niet teveel afgejakkerd? Hij ging met zijn handen over het achterwerk van de paarden en voelde zo het zweet. ´s Zaterdags reed hij alleen per auto naar het begijnhof te Diest om de begijntjes van lekkere Paalse vlaai te voorzien en om de bestelling voor de volgende week op te nemen. Dat was zijn werk.

Amelie en Leonard vonden dat ze het goed bedaan hadden en gaven de bakkerij over aan hun zoon. Het was in 1948. Dat jaar vierden ze op 20 april hun gouden huwelijksjubileum.

Boer Reynders

Boer Reynders (in familiekring Léo), zoon van Casimir Reynders en Blanca Inthof, was steeds zelfstandig zoals zijn ouders en gedurende vele jaren gemeenteraadslid van Paal. Na hun trouwdag hield het echtpaar op de Varkensmarkt een kruidenierswinkel . Dat hij “Boer Reynders” genoemd werd had met de landbouwstiel niets te maken, maar groeide mettertijd door zijn grote bekendheid in de streek en zijn invloed onder de Palenaren, o.a. als voorzitter van de harmonie.

Hij had nadien tijdelijk een eigen limonademerk, maar had vooral succes als “boter-marchang”. De boter, opgehaald bij Paalse hoevebedrijven, werd door eigen volk bewerkt. Tot in Brussel had hij verscheidene verkoopspunten en leverde er met eigen vervoer (o.a. door latere schoonzoon Gérard Ariën, die een oogje had op zijn oudste dochter Blanche). Hij was een vaste verkoper op de vroegmarkt, kende Brussel op zijn duimpje en sprak voldoende Frans. Hij was niet zomaar een simpele boer. Vandaar ook dat hij in het dorp de eretitel “Boer Reynders” aangemeten kreeg. Hij had het immers ver gebracht, met initiatieven die men in het rustige Paal niet gewend was.

In 1910 bouwde hij het “hoog huis”, voldoende ruim om de steeds maar aangroeiende kroost een comfortabele woonst te kunnen geven. Het was toen dat de meeste nog bestaande grotere huizen in het dorp gebouwd werden ( o.a, door Filleke Verboven( vader van Louis van Margriet) , Emma Houben, en de Post (er woonde schoolmeester en koster Hoydonckx).Leo kocht naast het hooghuis nog een viertal kleine bestaande woningen, die hij verhuurde.

Onder de oorlog lag de meeste handel stil. Leo bleef echter niet bij de pakken zitten en “smokkelde” de zuivelproducten, vooral naar de hongerige hoofdstad, die hij voldoende kende om de lucratieve plekken te vinden. Ondertussen ging Amelie op vrijdags en zaterdag helpen in de bakkerij van broer War. Begin 1928 kreeg boer Reynders ook de kriebels en ging hij ging in de leer bij broer War om zich de bakkersstiel eigen te maken En met succes!. In 1930 ging hij op eigen benen staan en bouwde achter het huis op de Varkensmarkt een voorlopige stenen oven.

Deze oven voldeed al vlug niet meer en op 24/11/ 1932 werd de eerste professionele gietijzeren oven geïnstalleerd (kostprijs: 29.382,50 fr met ristourne!). Ook een “moderne” kneedmachine en een noodzakelijke mengelaar (8.942,50 fr) werden een maand later geleverd. Vanaf toen groeide de zaak in versneld tempo. Naast de winkel zelf werden de leveringen in Paal en omgeving met paard en aangepaste broodkar een onverwachte meevaller. Nar van de Reutel´ (Coenen) bediende Hulst en Looi, Desiré Mantels verzorgde

Meldert, Hees en Schaffen, Geen Jans deed heel Paal en zoon Henri mocht Beringen-Mijn doen…. met een omgevormde personenwagen. Later kwam Jef Vanwetswinkel erbij en ook Jef Raymakers, Nar Zeeuwts en Raymond Claes. Met aan het hoofd de immer toeziende Léo (en later zoon Maurice).

De Goede Oude Tijd in Paal en omgeving,nog beleefd door de oudsten onder ons

In de laatste decennia van de 19de eeuw was er onder de gewone bevolking een zekere ontreddering waarneembaar. Door de toenemende industrialisatie en de verruiming van het maatschappijbeeld verdween de knusse geborgenheid waarin het overwegende agrarisch bestaan was ondergedoken.

Jarenlang hadden het wereldlijke en kerkelijke bestuur het doen en laten van de mensen voorgekauwd, van in de wieg tot in het graf. Wetten werden bijna slaafs nageleefd, dogma’s golden als waarheden. Aloude tradities leken de tand des tijds te trotseren en op het erf, tussen het vee en de velden, verliep het leven in een gezapig ritme. Dat alles veranderde rond 1880 toen de talrijker wordende fabrieken de zichtbare symbolen werden van een nieuwe, overrompelende technocratische samenleving.

Vervreemding sloop de vertrouwde omgeving binnen en weldra werd tijd toegespitst op geldgewin. De gekende en doorleefde draagvlakken die het werk,de ontspanning,het geloof en de sociale bedrijvigheid hadden geschraagd, werden verdrongen. Het nogal eigengereide, onafhankelijke en honkvaste bestaan dat de meesten hadden opgebouwd door verwoed hun perceeltjes grond te bewerken en op die manier voor het dagelijkse brood te zorgen, bood geen uitkomst meer.

De pachters konden de fel gestegen huurprijzen van de grond niet langer opbrengen en zij die het geluk hadden over een eigen erf te beschikken, bezaten niet genoeg oppervlakte om met de opbrengst ervan zichzelf en hun gezin te onderhouden. Er was maar één oplossing: de boer moest zijn bestaan voor een groot deel gaan zoeken in de industrie-arbeid!

Voorlopig en tijdelijk weerstonden de bewoners van de Limburgse Kempen aan de dictatuur van die ongewenste omwenteling. Eenzelvig als vroeger en vergroeid met de heide en de arme zandgrond, brachten zij hun dagen door in eigen gezinsverband en beperkten zij hardnekkig hun sociale contacten tot occasionele gesprekjes in de dorpskern onder de bomen naast de kerktoren. In die beslotenheid voelden de Kempenaren zich goed en wellicht koesterden zij hun samenhorigheidsgevoel daarom als een kostbaar en onvervreemdbaar kleinood. Zo lang dat mogelijk was tenminste, want op de schrale Limburgse bodem kon de klok niet blijvend teruggedraaid worden. Dat ondervonden de ingezetenen van Paal en grote omgeving (de latere stad Groot-Beringen) maar al te best. Hun dagelijkse leven werd van langsom meer een staalkaart van alles wat zich tussen 1900 en 1914 in “ het eeuwenoude bronsgroen eikenhout ” op het economisch, cultureel en sociaal vlak nog slechts kon afspelen en onherroepelijk zou wijzigen. Maar daarom niet altijd te kwade….

Ook in Paal kabbelden de dagen rond de eeuwwisseling gezapig verder. Wettelijk en administratief werd het leven van ongeveer drieduizend inwoners in goede banen geleid door burgemeester de Quebedo, een Franstalige edelman van Spaanse afkomst die op “het Kasteelke” woonde. Voor morele kwesties en ieders zielenheil stonden drie geestelijken paraat: pastoor Jan Vlecken, kapelaan Jozef De Wit en de toegevoegde eerwaarde kruisheer August Van Merendonck.

En omdat de boog niet altijd kon gespannen blijven, zorgde de strijdlustige fanfare “Hoop in de Toekomst” af en toe voor een passende ontlading. In 1913 telde ze 38 leden met Boer Reynders als geldschieter en daarom ook levenslang voorzitter. Burgemeester Léonard Ariën gaf nogal gemakkelijk toestemming om er nog eens op uit te trekken om (vooral) een serenade te blazen aan de café’s waar de baas vrijgevig trakteerde.

De Palenaren waren (en zijn nog) gemakkelijke en schappelijke mensen. Van eenvoudige komaf volgden zij haast automatisch de verordeningen en raadgevingen van het gezag op. Waarschijnlijk hadden hun moeilijke levensomstandigheden iets met die slaafse onderwerping te maken, want economisch waren het voor de meeste dorpelingen harde tijden. Voor 1914 bedreef 78% van alle inwoners voor eigen rekening de landbouw op uitbatingen die meestal niet groter waren dan 3 ha . Spontane hulp niet te na gesproken, werden de mensen grotendeels gedwongen hun eigen boontjes te doppen wanneer de oogst eens tegenviel, onverwachte veesterfte optrad of de boerderij door een blikseminslag in de as werd gelegd. Bovendien hadden de gezondheidszorg en de kwaliteit van de dagelijkse voeding destijds niet veel te betekenen, zodat overeind blijven al een uitzonderlijke prestatie was. De jaarlijkse statistieken van de sterfgevallen bewijzen de onheilspellende en miezerige levensomstandigheden: gemiddeld ging het bij de helft van de gevallen van overlijden om jonge kinderen en op 4 volwassenen stierf verhoudingsgewijs 1 jonge man of vrouw. Dat zijn waarheidsgetrouwe vaststellingen. Weduwen en vooral weduwnaars (kraambed) kwamen ook veel voor en het sluiten van een tweede huwelijk uit noodzaak was voor de naarstige pastoor Vlecken een courant ritueel geworden. Met het promoten van kunstmeststoffen en een betere voorlichting trachtte de onvermijdelijke Boerenbond deze erbarmelijke toestanden in te dijken, maar een schuchter resultaat zou slechts geboekt worden rond 1914.

Niet te verwonderen dan dat mensen met “ armen aan hun lijf “ dit uitzichtloze leven trachtten te ontvluchtten en meer bestaanszekerheid zochten door een ander beroep te aanvaarden. Voor hen had het veldwerk afgedaan. Wat volgde was een te voorspellen dagelijkse trek naar de industrie.

In Paal bestond die niet (de borstelfabriek aan de Diestsesteenweg tegen Schaffen, waar toen 4 Palenaren werkten, kunnen we amper betekenisvol noemen), of de ontginning van ijzererts op enkele plaatsen ter hoogte van de Zwarte Beek moest daarvoor doorgaan. Vele gemeentenaren weken dan maar uit naar Luik en vervoegden er het leger van metaalarbeiders of mijnwerkers, waardoor zij aan de boorden van de Maas een nieuw bestaan konden opbouwen. Anderen pendelden en brachten dan hun zondag op de geboortegrond bij familie door.

Aangenaam was anders, maar weldra zou de tewerkstelling in de ondergrond op enkele kilometers van de vertrouwde woonplaats de plaatselijke bevolking uitkomst bieden.

De oase van rust zou echter onherroepelijk verstoord worden door de grote wereldbrand van 1914–1918!

De wet op de beperkte persoonlijke dienstplicht werd al gestemd op 14 december 1909. De betwiste loting werd afgeschaft, de legerdienst ingekort tot 15 maanden en voortaan slechts één zoon per gezin.

Op 11 november 1918 werd een streep getrokken onder 4 jaar loopgravenoorlog! De duur van de strijd en de nachtmerrie van het verblijf in weer en wind, modder en waterratten en ander ongedierte plaatsten levensgrote vraagtekens achter wat er zou gebeuren wanneer de oudstrijders van het front thuiskwamen en hun beproevingen dienden te dwarsen met een nieuwe wereld, die niet had gezucht onder kogels, bommen of mosterdgas, maar daarentegen reeds boordevol optimisme en idealisme stak en bereid was er weer iets mooi van te maken.

Konden de teruggekeerde soldaten de moed opbrengen om opnieuw de hand aan de ploeg te slaan; slaagden zij erin het geloof in de mensheid te herwinnen en zich terug te integreren in een voor hen ‘ onwerelds geworden ’ maatschappij ? Gaapte geen duizelingwekkende kloof tussen de frontlijn in West-Vlaanderen en Noord-Frankrijk, een streek die nog jaren de lidtekens van de oorlog zou dragen en de doortochtgebieden waar slechts korte tijd van echte strijd sprake was geweest. Allemaal onduidelijkheden waarmee de bevrijde Belgen die de loopgraven slechts van horen zeggen kenden, eind 1918 niet wensten te worstelen. Zij gaven gretig voorrang aan vreugde en euforie en na alle doorstane ellende was dat menselijk…….

De onderneming vergde een aanhoudende levering van grondstoffen.De verscheidene meelsoorten werden bezorgd met grote vrachtwagens door bloemmolens van Leuven, Antwerpen .en verdelers uit Beringen. De juten zakken van 50 kg moesten op de rug gedragen worden naar de bloemzolder boven de bakkerij. Op diezelfde zolder werd een groot vat gemonteerd, dat enkele honderden liter water kon inhouden. Dat water werd met een pomp opgehaald (lange tijd met de hand) uit eigen put en met zeel en haak, emmer per emmer, naar boven opgetrokken. Dit arbeidsintensieve werk werd nog lang, terwijl men toch moest wachten tot het brood gebakken was, tijdens die “vrije tijd” uitgevoerd.

Zes dagen op zeven moesten de nodige zakken van de zolder gehaald worden totdat een systeem werd bedacht om de bloem naar beneden te laten rijzen.

Er werd wit (en “mik”), zwart en grijs brood gebakken. De taarten waren vooral " Limburgse spijsvlaaien" met abrikozen, appelen, créme, krieken en pruimen, naast de veel gevraagde mopkensvlaai. Gateaux met crème au beurre werden gedurende vele jaren enkel op bestelling gemaakt terwijl de vlaaien voor de zondagen voorbehouden bleven. Volop vlaai natuurlijk tijdens de St.-Janskermisdagen!

Dat er hard moest gewerkt worden zal niet betwist worden….De krieken bv. werden door Bonneke en later Tante Mit ingemaakt (in potten van 2 liter). De steentjes werden met een haarspeld uitgehaald.En alles zo snel mogelijk gesteriliseerd natuurlijk. Boer Reynders had zelf een paar boomgaarden en vond in de buurt wel enkele handige plukkers De kleinkinderen zorgden vooral voor het stiekeme wegkluppelen van de “ dubbele fluppen “.

De oven werd gestookt met briketten. Met 25 ton tegelijkertijd werden ze per spoor gebracht tot aan de “wissel" van het trammeke Beringen-Diest . Per paketten van 25 kg overgeladen op karren en buiten, achter de oven opgesta-peld.

Léo en Amélie hebben niet alleen hard gewerkt in bakkerij en winkel maar ook veel aandacht besteed aan het nageslacht. De pastoor en zijn kerk hadden niet te klagen over zulke voorbeeldige parochianen! (Oh ja, Léo was ook kerkmeester). Ze “kregen” maar liefst 16 kinderen waarvan er 13 in leven bleven: 8 jongens en 8 meisjes. De kinderen werden tijdens de vakantieperiodes spelenderwijze ingeschakeld in de winkel en de bakkerij ( vooral om de vlaaienpannen te smeren vooraleer het deeg werd gelegd).De oudste meisjes verbleven tijdens de klasmaanden gewoon in het pensionaat ( Diepenbeek vooral).

Zoon Maurice ging naar het college te Beringen, maar omdat de goesting ontbrak (verstandig genoeg !) bleef hij op 17-jarige leeftijd al thuis. Goed, zei vader, dan maar bakker! Tot groot genoegen van Maurice, die in de leer ging schoonbroer Leon Bormans op de Diestsesteenweg eveneens Paal. Eens de knepen van het vak onder de knie mocht hij thuis beginnen.En hij deed dat goed ( tot hij veel te vroeg overleed. Op vakantie onderweg in Duitsland. Uitgeput door jarenlang gebrek aan nachtrust).

Boer Reynders was een zachtaardig man, gekend om zijn goed en gul hart. Hij was ook actief in enkele verenigingen, o.a. voorzitter van de harmonie "Hoop in de Toekomst". Werken kon hij ook en vooral ook controleren of iedereen zijn werk “tegoei” deed! Hij stond ’s morgens als eerste op om de oven aan te steken. Met mutserdhout, d.w.z. gewoon, goed gedroogd takkenhout (iedere bakker had een houtmijt achter het werkhuis staan).In latere jaren , maar toen was hij reeds lang gepensioneerd, werd dat omslachtig geknoei ongedaan gemaakt door de aanwending van stookolie.

Na het voederen van de paarden, maakte hij het eigen volkje wakker en begon het echte werk. Hij had een fijne smaakzin en proefde het deeg nadat het gekneed was. De juiste verhoudingen van zout en andere ingrediënten vond hij van groot belang. Natuurlijk fel gewaardeerd door zijn klanten alhoewel in vroegere tijden niet zo nauw gekeken werd.

Dan het eten van de paarden voor “onderweg” verzorgen (haver in hangzakken). Om 8 uur begon de “toer” van de karrenvoerders. Rond 10 uur ging hij even slapen en dan weer opnieuw. Een werkje dat hij steeds minutieus en zelf uitvoerde was het herstellen van het paardengetuig. De pekdraad voor het naaien van het leder draaide hij zelf met de hand in lengten van ca. één meter.

Als s avonds de paarden van hun ronde terugkwamen, zorgden de voerders zelf voor hun paarden. In brokken gesneden zwart brood en veel drinkwater! Maar Léo ging als laatste toch nog steeds controleren of alles wel goed en wel geregeld werd. Een niet zo eenvoudige bezigheid als het tellen van het vele geld dat iedere dag binnenkwam deed hij zelf. Een grote hoop muntjesgeld was het altijd opnieuw ( en op de poef kopen bestond niet).

s zaterdags reed hij alleen en op zijn gemakje met de T-Ford naar het begijnhof van Diest om de bewoners van hun enige toegeving aan wereldse genoegens te voorzien (Paalse vlaai ) en om de bestelling voor de volgende week op te nemen. Dat was zijn werk.

Na vele jaren van noeste bedrijvigheid en nadat alle kinderen uit huis waren, vonden Amélie en Leonard dat ze hun beider levenswerk tot een goed einde hadden gebracht en gaven ze in 1948 de bakkerij over aan hun bekwame zoon Maurice en hun naarstige schoondochter Mit . . Ook vierden ze dat jaar op 20 april hun gouden huwelijksjubileum. Welverdiend op alle gebied!

Nog enkele details uit die “goede oude tijd”:

februari 1936:

nieuwe bakkerskar tegen de prijs van 1.460 fr., geleverd door gebroeders Meelberghs, schrijnwerkers uit Paal

februari 1939:

paard beslaan kostte 2 x 16 fr. Door gebroeders Sneyers van Paal.

juli 1939:

Leonard moet tijdens de mobilisatie zijn luxeauto "citröen" inleveren ten dienste van het Belgische leger. Moest voorzien zijn van alle gereedschap, de nodige wisselstukken én met volle benzinetank. Dat kwam hard aan !.

Bron: André Luyten.

Bewerking: Edward Ariën

view all

Leonard Reynders's Timeline

1875
October 13, 1875
Paal, Belgium
1899
June 27, 1899
Age 23
Paal, Belgium
1900
September 11, 1900
Age 24
1901
October 17, 1901
Age 26
1902
December 14, 1902
Age 27
1903
February 26, 1903
Age 27
1917
February 28, 1917
Age 41
Paal, Limburg, Belgium
1951
June 13, 1951
Age 75
Paal, Belgium
????