Jacobus Everts Boerboom

Is your surname Boerboom?

Research the Boerboom family

Jacobus Everts Boerboom's Geni Profile

Share your family tree and photos with the people you know and love

  • Build your family tree online
  • Share photos and videos
  • Smart Matching™ technology
  • Free!

Share

Jacobus Everts Boerboom

Birthdate:
Birthplace: Didam, Gelderland, Netherlands
Death: Died in Leeuwarden, Friesland, Netherlands
Immediate Family:

Son of Evert (Everhardus) Boerboom (Buirboems) and Sara Boerboom-van Raei
Husband of Auckien Bennes de Neef-Heddema
Father of Benno Bourboom; Evert Bourboom and Sara van Gebertshagen-Bourboom
Brother of Henricus Everts Boerboom; Aleida (Aeltjen) Everts Wolffs-Boerboom; Lambert Everts Boerboom and Theodorus Boerboom (Buirboems)
Half brother of Stijnneke Span-Bourboom

Occupation: wijnkoper, herbergier
Managed by: Jan Johannes (Jan) Faber
Last Updated:

About Jacobus Everts Boerboom

Jacob Everts Bourboom, wijnhandelaar te Leeuwarden (c.1624-1657)

Jacob was één van de kinderen uit het roomskatholieke gezin van Evert Boerboom en Sara van Raeij. De moeder van Jacob zal waarschijnlijk al voor 1645 zijn overleden, daar op 13 juli 1645 te Didam een Evert Boerboom, weduwnaar aldaar, in het huwelijk treedt met ene Aeltje Scholten, afkomstig uit het naburige Kilder. Deze hertrouwde op 6 juli 1662 als weduwe van Evert Bourboom met Jan Beernts. Naar alle waarschijnlijkheid hebben we hier te maken met de vader van Jacob Bourboom, want als laatstgenoemde in 1657 te Leeuwarden plotseling komt te overlijden en er in 1658 een curator over diens minderjarige kinderen moet worden aangesteld, blijkt grootvader Evert als belangenbehartiger van zijn kleinkinderen nog springlevend te zijn. Niet lang daarna zal Evert dus zijn overleden. De hervormde trouwboeken van Didam, welke een aanvang nemen in 1637, maken verder nog melding van de huwelijksinschrijving op 31 oktober 1653 van een zekere Aeltje, 'ehlige' dochter van Evert Boerboom, met Marten Hendricks Boerboom. Deze Aeltje, reeds jong weduwe geworden, hertrouwde op 11 januari 1656 met Derck Aelten. Vast en zeker betreft het hier een zuster van Jacob, temeer daar diens jongere broer Lambert, die zich later ook te Leeuwarden zal vestigen, één van zijn dochters Alegonda zal gaan noemen. Als Jacob Bourboom op 5 mei 1653 het burgerrecht van Leeuwarden verwerft moet hij op dat moment al een jaar in Leeuwarden hebben gewoond. Kort daarna, op 11 mei, wordt aan hem voor het bedrag van tachtig caroligulden het recht van wijntap verleend.

Op 18 december 1638 was door het stadsbestuur namelijk een verordening op tapperijen uitgevaardigd nadat was gebleken dat met de ongeremde groei van het aantal herbergen en tapperijen tevens de daarmee gepaard gaande ongeregeldheden en fraudepraktijken waren toegenomen. Het was vanaf dat moment dan ook niet meer toegestaan om nieuwe tapperijen in te richten zonder toestemming van het stadsbestuur. Voor een tapvergunning moesten respectievelijk bedragen van 80, 40, 20 of 100 caroligulden ten profijte van de stad worden betaald, al naar gelang men wijn, bier, wip, danwel bier èn wijn tapte. Gezien het feit dat het winnen van het burgerrecht alleen voor personen van 25 jaar en ouder was weggelegd, zal Jacob zeer zeker voor 1628 zijn geboren. Na op 18 maart 1653 te Leeuwarden in ondertrouw te zijn gegaan was hij in april 1653 - vermoedelijk te Sneek, doch de in 1653 gesloten huwelijken ontbreken gedeeltelijk in het Sneker trouwboek in het huwelijk getreden met Aukje Bennes Hiddema, afkomstig uit die plaats. Hoe hij met de wijnhandel in aanraking is gekomen laat zich slechts raden. Mogelijk heeft hij in 1652 emplooi gevonden bij zijn latere zwager en schoonzuster Willem Heerts (Wilhelmus Horatij) Soolstra en Lutske Bennes Hiddema, die nadat zij zich in 1650 vanuit Sneek in Leeuwarden hadden gevestigd op 29 maart 1651 een wijnherberg in de St. Jacobstraat waren begonnen. Hier zou het dan op een goede dag ook kunnen zijn geschied dat Aukje Hiddema zijn levenspad kruiste. In de betrekkelijk korte periode die Jacob Bourboom tot zijn overlijden in 1657 te Leeuwarden heeft doorgebracht zijn relatief gezien toch nog vrij veel feiten boven water gekomen. Zo is Jacob Bourboom in 1654 eiser in een proces tegen een zekere Harmen Crop, die blijkens Jacob's rekenboek wegens gehaalde wijnen nog voor 80 caroligulden bij hem in het krijt stond. Harmen verweerde zich door te stellen dat de wijn nimmer door hem voor eigen rekening was ontvangen, daar Jacob hem destijds niet op rekening had willen leveren. Wel zou volgens de gedaagde waar zijn dat hem destijds door de eiser op naam van de schepen Swalue een oxhoofd wijn was meegegeven, zodat hij zich voor de nog openstaande schuld tot laatstgenoemde diende te wenden. Crop was overigens wel genegen de op die dag door hem gebruikte vertering aan Jacob te voldoen. De Magistraat oordeelde echter ten gunste van Jacob Boerboom en veroordeelde Crop op 31 oktober 1654 tot het betalen van 80 caroligulden inclusief de rente en de kosten van het geding. In 1655 was Jacob eiser in een proces tegen ene Jan Hendrix, die op 31 oktober van dat jaar door de Magistraat veroordeeld wordt tot het betalen van een bedrag van 100 caroligulden plus rente aan eerstgenoemde. Op 31 oktober 1656 volgt wederom een uitspraak van het Nedergerecht ten voordele van Jacob Bourboom. Ditmaal wordt ene Petrus Runia veroordeeld tot het betalen van 63 caroligulden en 8 stuivers ineens, en als tweede som nog een bedrag van 17 caroligulden met aftrek van 10 caroligulden, die reeds waren voldaan. Nadere bijzonderheden omtrent deze laatste beide zaken zijn niet bekend daar het definitief sententieboek over deze jaren verloren is gegaan.


Het huwelijk tussen Jacob en Aukje, waaruit drie kinderen zouden worden geboren, mocht dus slechts vierenhalf jaar duren. Trad Jacob op 15 augustus 1657 als adelborst van de Burgerwacht nog op als getuige, nadat hij met een collega tijdens de wacht door de medeburger Hans Rasp en een metgezel met een mes was bedreigd , blijkens een vermelding in het recesboek van datzelfde jaar voerde zijn weduwe op 27 november een proces tegen Reinier van Hoppers , zonder dat de dispositief- of definitief sententieboeken een eindvonnis van het Nedergerecht vermelden. Denkelijk heeft Reinier het niet op een uitspraak van het Nedergerecht durven laten aankomen en heeft hij eieren voor zijn geld gekozen door op 29 januari 1658 een 'acte van aanneminge' in het recesboek te laten registreren, waarbij hij beloofde binnen zes weken zijn schuld ad 138 caroligulden en 6 stuivers aan Aukien Bennis te voldoen. Op 27 januari 1658 is Aukje Bennes namens haarzelf en vanwege haar drie onmondige kinderen in een proces verwikkeld met Dr. Regnerus Wibranda. Laatstgenoemde werd op 12 februari 1659 veroordeeld tot het betalen van 151 caroligulden en 13 stuivers als restschuld aan de weduwe Bourboom. Nadere bijzonderheden omtrent deze zaak ontbreken eveneens, doch getuige de vele personen die na het overlijden van haar man door Aukje - vaak om luttele bedragen - in rechte werden aangesproken, zal zij druk bezig zijn geweest met het invorderen van de schulden die het sterfhuis van wijlen haar man nog ten goede kwamen. Ook op 2 april 1658 deed de Magistraat uitspraak ten voordele van de weduwe Boerboom in het door haar aangespannen proces tegen de herbergier Jacob Jacobs, vanwege een schuld van de laatste van 35 caroligulden. Aukje liet zich in al deze zaken vertegenwoordigen door haar zwager de notaris Theotardus Regnery (Tiaerd Rinnerts), met wie haar zuster Lutske in 1656 was hertrouwd. Beschikte de Leeuwarder Magistraat in de meeste gevallen gunstig op de door de erfgenamen van Jacob Bourboom aangespannen processen, op 12 juli 1661 kregen zij nul op het rekest toen Jetske Camminga, de weduwe van wijlen de luitenant Rommert Siccama, door hen op persoonlijke titel werd aangesproken op de helft van een nog openstaande schuld ad 138 caroligulden en 9 stuivers die door voornoemde echtelieden in de periode van 24 mei 1653 tot 11 december 1654 staande echte zou zijn gemaakt. Voor andere helft van genoemde schuld werd zij als erfgename van haar wijlen man aangesproken. Daarboven werd nog een bedrag van 86 caroligulden en 2 stuivers geëist terzake de in de periode van 21 tot 27 november 1655 geleverde wijnen aan het sterfhuis van Rommert Siccama. Jetske kon zich evenwel succesvol weren door aan te tonen dat wegens de verteringen in eerstgenoemde periode op 8 maart 1655 een obligatie was gepasseerd, waardoor de in het rekenboek vermelde posten hadden moeten worden doorgehaald. Ook had Aukje niet behoren te vergeten dat de doodschuld ad 86 caroligulden en 2 stuivers wel degelijk door Jetske was voldaan. Verder stelde Jetske dat indien het al zo was dat de eisers nog het een en ander van haar of wijlen haar man hadden te vorderen, het toch op zijn zachtst gezegd wel hoogst opmerkelijk was dat zij hiermee meer dan vijf jaar hadden gewacht. De Magistraat verklaarde de eis van de erven Bourboom derhalve dan ook niet ontvankelijk doch oordeelde wel dat beide partijen de kosten van het geding ieder voor de helft dienden te dragen. Op 2 augustus 1661 worden voor de afwisseling nu eens de erfgenamen van Jacob Bourboom aangeklaagd. Eiser in deze was de burgervaandrig en chirurgijn Tierck Ammema ten Post die verhaal probeerde te halen inzake de kosten van meesterloon en medicamenten die in de periode van 25 januari tot 18 maart 1653 door hem waren verstrekt aan Dr. Gellium Viti Hemringa, nadat Jacob deze tijdens een ruzie had verwond. Hierbij is Jacob naar het schijnt niet bepaald zachtzinnig te werk gegaan. Volgens de eiser had het slachtoffer "een solutio in 't hooft becomen met quetsinge van het cranium, sijnde daeruijt oock verscheijden fragmenten (=breuken) gecauseert, soo dat dese requirant beneffens mr. Douwe Wiaerda daerover vanden 25 Januarij 1653 tot den 18 Martij anni ejusdem heeft gegangen voor dat de volcomen cura ware geëffectueert". Jacob was hiervoor op 2 juni 1655 reeds veroordeeld tot het betalen van een smartegeld van tien goudgulden aan zijn slachtoffer "voor de reale injuriën" en "voorts te boeten het meesterloon tot tauxatie van desen Gerechte" , welke laatste kosten in 1661 nog steeds niet waren voldaan. Zelfs nog op 11 juli 1668 deed de Magistraat uitspraak in een door de erven van Jacob Bourboom aangespannen proces tegen Antie Douwes, weduwe van wijlen de deurwaarder van het Hof van Friesland Sipke Abbema, namens haarzelf en haar onmondige kinderen. Deze Sipke zou volgens het rekenboek van Jacob in 1657 nog een bedrag van 15 caroligulden en 10 stuivers schuldig zijn geweest wegens door hem gehaalde wijnen. Zijn weduwe kon echter met succes aantonen dat zij en haar kinderen zich nimmer als erfgenaam van wijlen haar man en vader hadden gedragen waardoor de eis van de impetranten volgens het oordeel van het Nedergerecht dan ook niet ontvankelijk diende te worden verklaard.

view all 15

Jacobus Everts Boerboom's Timeline

1624
1624
Didam, Gelderland, Netherlands
1654
1654
Age 30
Leeuwarden, Friesland, Netherlands
1655
October 1655
Age 31
Leeuwarden, Friesland, Netherlands